Congres en debat Nederland – Vlaanderen 2008
10 oktober 2008, Vlaams Parlement
Nederlands in hoger onderwijs en wetenschap
een gezamenlijk project van de stichting Nederlands, de vereniging voor Nederlandstalige terminologie NL-TERM, het Algemeen Nederlands Verbond in Vlaanderen.
Tijdens het congres werd de Lofprijs 2007 van de stichting Nederlands uitgereikt aan de laureaat, de publicist Thomas von der Dunk
Beknopt verslag met samenvattingen van de sprekers
Openingszitting
De openingszitting werd voorgezeten door Arno Schauwers, voorzitter van de Stichting Nederlands. Hij gaf al vlug het woord aan mevrouw Monica van Kerrebroeck, CD&V, voorzitter van de Onderwijscommissie van het Vlaamse Parlement.
Enkele thema’s van haar toespraak. Zij verwijst naar het openbaar pleidooi van Vlaamse Minister Ceyssens voor meer colleges in het Engels. Zij verwijst daarbij naar het antwoord van onderwijsminister Frank Vandenbroucke. Essentieel in dat antwoord is dat elke Vlaamse jongere een Nederlandstalig diploma moet kunnen verwerven. Zij verwijst eveneens naar de adviezen aan de minister van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid en de Vlaamse Onderwijsraad. Zij haalt eveneens het algemene talenbeleid aan van de onderwijsminister.
Verder spiegelt zij voor dat er een evaluatie wordt voorzien van het taalgebruik in het hoger onderwijs. Volgens haar is dit congres meebepalend voor de beslissingen die in dat verband moeten worden genomen.
Inleiding tot het congres Dr. Yvo J.D. Peeters, ondervoorzitter ANV vzw
namens de organiserende verenigingen
Samenvatting
Terwijl in de derde wereld nog vele volkeren strijden voor onderwijs in eigen taal, verkwanselen de Nederlandse en Vlaamse politieke en academische overheden dit fundamentele mensenrecht.
Vanuit een mis begrepen internationalisme wordt sinds enige tijd een niet-aflatende campagne gevoerd ten voordele van het Engels. Vooral in Vlaanderen, dat amper iets meer dan een halve eeuw het recht op hoger onderwijs in de moedertaal heeft bevochten, zou men beter moeten weten.
Maar ook grotere taalgebieden zoals Italiaans, Duits en zelfs Frans lijden onder verengelsing.
Opleiding en navorsing in een andere, daarenboven dominante, taal leidt nochtans tot conceptuele verenging, terminologische verarming en bovenal tot impliciete overname van maatschappelijke denkbeelden uit de dominante taal.
De dominantie van het Engels is in essentie niet cultureel maar wel een factor van de economische en politieke dominantie van de Verenigde Staten op wereldvlak en een hoeksteen van onze gecommercialiseerde maatschappij. Het hele Bologna-proces is geen Europeanisering van ons onderwijs maar wel een Amerikanisering. Evenzeer werken programma’s als Erasmus, Socrates en Da Vinci de verengelsing van Europa in de hand, ook al is het formele doel een veeltalig Europa te bewerkstelligen.
Het is bijgevolg hoog tijd in dit verband een alternatieve strategie te ontwikkelen.
Stand van zaken
Voor dit gedeelte neemt prof. dr. Willy Martin het voorzitterschap waar. Hij geeft meteen het woord aan prof. em. dr. Jozef T. Devreese, die gedurende het toegestane kwartiertje spreektijd het Nederlands als onderwijs- en wetenschapstaal behandelt met een terugblik en een vooruitblik.
Aan de hand van treffende afbeeldingen in zijn powperpointpresentatie geeft hij een synoptisch overzicht van de evolutie van het Nederlands vanaf de eerste vindplaats van een Germaans woord in een Latijnse bron
(‘wad’ AD 107). Hij beklemtoont de betekenis voor de Nederlandse woordenschat van een Simon Stevin, die de meeste van zijn werken in het Nederlands publiceerde. Hij verwijst ook met fierheid naar de Nobelprijswinnaa r Corneel Heymans. Hij stelt dat de wetenschappen zich meertalig moeten ontwikkelen. Voor de huidige en de komende situatie zegt hij pertinent dat de huidige taalregeling van art. 91 van het structuurdecreet behouden moet blijven zowel voor de bachelors- als voor de mastersopleidingen. Die huidige tekst geeft een evenwichtige regeling aan tussen onderwijs in het Nederlands en onderwijs in een andere taal met het oog op internationalisering. Beleidsvoerders, raak nu niet aan die taalregeling.
Dr. Albert Oosterhof brengt verslag uit van zijn onderzoek “Engels voertaal aan onze universiteiten? Een invantaris voor de Culturele Commissie Vlaanderen-Nederland”
Samenvatting
Deze presentatie geeft een overzicht van de doelstellingen, werkwijze en resultaten van een enquête die in het voorjaar van 2007 in opdracht van de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland (CVN) werd uitgevoerd. De bedoeling was te inventariseren welk aandeel andere talen dan het Engels hebben in het onderwijs aan de Nederlandse en de Vlaamse universiteiten en wat de toekomstperspectieven zijn. In 2000/2001 voerde het secretariaat van CVN ook al een enquête uit bij de rectores magnifici van de universiteiten. Die CVN-werkwijze werd dus in 2007 herhaald om een indruk te krijgen van de evoluties die zich hebben voorgedaan wat betreft de onderwijstaal in het hoger onderwijs.
Ik geef op basis van enkele eerdere rapporten kort weer wat de achtergronden zijn van deze inventaris. Ik zal kort ingaan op de geldende wetgeving ten aanzien van de onderwijstaal in Vlaanderen en Nederland. In 2001 legde CVN contact met verschillende bewindslieden uit Vlaanderen en Nederland. Daarbij doet CVN enkele aanbevelingen, vooral over het gebruik van het Engels in het hoger onderwijs. De commissie stelt dat bacheloropleidingen volledig in het Nederlands zouden moeten verlopen, terwijl in de masters het aandeel van het Engels hooguit 20% mag zijn. De doelstelling van de inventaris in opdracht van CVN is na te gaan of recente ontwikkelingen in overeenstemming zijn met dergelijke aanbevelingen.
Verder wordt uiteengezet hoe de resultaten precies tot stand zijn gekomen. Een belangrijke opmerking is dat diensten die zich bezighouden met externe relaties en communicatie niet noodzakelijk een reëel beeld geven van het aandeel van het Engels. Het is daarbij ook mogelijk dat instellingen het aandeel van het Engels juist groter voorstellen dan het is, omdat ze een internationale uitstraling nastreven.
In de presentatie werd een samenvatting gegeven van de resultaten van de inventarisatie. De gegevens uit de enquête geven een beeld van de situatie in Vlaanderen tegenover Nederland, aan verschillende universiteiten. Aan de meeste Nederlandse universiteiten blijft het aandeel van het Engels in het bacheloronderwijs beperkt, maar wordt in de masterfase de helft of meer van het onderwijs in het Engels gegeven. Er is in Nederland over het algemeen sprake van een toename van het gebruik van het Engels. Aan Vlaamse universiteiten is het aandeel van het Engels echter beperkter.
Bij die stand van zaken voegt Jan Roukens van de stichting Nederlands zijn bevindingen
Samenvatting
Taalgebruik in het Europese hoger onderwijs en in de wetenschap
Het referaat put de kwantitatieve gegevens voornamelijk uit een recent gepubliceerde studie van de Academic Cooperation Association (ACA), een vereniging van universiteiten en hogescholen in Europa die zich mede ten doel heeft gesteld de internationalisering van het hoger onderwijs te ondersteunen. In dat kader werd de studie English-Taught Programmes in European Higher Education uitgevoerd, over de situatie in 2007. Een eerdere studie over 2002 maakte het mogelijk een zekere ontwikkeling aan te tonen.
Hoewel de ACA wordt beschouwd als een organisatie met een missie, en dus niet neutraal, maakt de studie over 2007 een betrouwbare indruk. Er is veel onderzocht en naar achtergronden gepeild, terwijl de onzekerheidsmarges inherent aan enquêtes zorgvuldig in kaart zijn gebracht. Dat maakt de studie waardevol, ook voor wie de overtuigingen van de ACA niet deelt.
Uit de studie blijkt dat Nederland ver voorop loopt in Europa wat de verengelsing van het hoger onderwijs betreft. Het absolute aantal Engelstalige programma’s in Nederland is bijna tweemaal zo groot als in het tweede land in absolute aantallen, Duitsland (774 tegenover 415). Niettemin is Duitsland vijfmaal zo groot als Nederland. België speelt in dit geweld een bescheiden rol en is een Europese middenmoter: 43 Engelstalige programma’s werden vastgesteld. De studie maakt geen onderscheid tussen Nederlandstalig en Franstalig België; aangenomen is dat de twee landsdelen wat dit betreft gelijk opgaan.
Het fenomeen van de vervanging van de nationale taal door Engels in het hoger onderwijs is overigens een verschijnsel dat veel meer voorkomt in het Noorden en Noordwesten van de EU dan elders. In midden-Europa komt het weinig voor, in de orde van enkele procenten, terwijl het in het Zuid-Europa bijna niet voorkomt. Niettemin lijken de discussies over het verschijnsel in het Zuiden het hevigst, terwijl er in Nederland nauwelijks over gesproken wordt. Tot dit congres.
De studie komt tot de conclusie dat het aanbieden van Engelstalige programma’s niet aantoonbaar bijdraagt tot een toename van buitenlandse studenten. Meer buitenlandse studenten is nu juist de reden waarom in Nederland – maar ook in Vlaanderen - herhaaldelijk wordt aangedrongen op een vergroting van het aanbod Engelstalige programma’s.
Interessant is dat de verengelsing gedreven wordt door de leiding van de onderwijsinstellingen (80% vóór), en dat studenten er lauw tot negatief tegenover staan (omstreeks 25% vóór). Dat contrasteert met de opvatting dat het de jongeren zijn die de moderniteit zoeken en dus………de Engelse taal.
Nederlands of Engels?
Prof. dr. Willy Clijsters zit dit laatste gedeelte van de ochtendzitting voor. Eerste spreker van het drietal is mevrouw dr. Diana Vinke. Zij brengt rond de thematiek van onderwijskwaliteit en voertaal verslag uit van haar doctoraal onderzoek in 1995 aan de Technische Hogeschool van Delft. Zij spreekt in dat verband over de “Kwaliteit van kennisoverdracht. Een vergelijkend onderzoek”.
Samenvatting
De centrale vraag van deze presentatie is of onderzoek naar het gebruik van Engels als instructietaal in het hoger onderwijs effect heeft op de onderwijskwaliteit en of de invoering van het Engels in onze universiteiten afhankelijk moet zijn van de resultaten van dergelijk onderzoek. Een onderzoek naar de ervaringen van docenten aan Nederlandse universiteiten wijst uit dat een meerderheid weinig of geen verschil ervaart tussen het verzorgen van onderwijs in het Nederlands en in het Engels. Wel treden er een aantal negatieve effecten op bij het Engels als voertaal: het voorbereiden kost hen meer tijd en bij het geven van colleges ervaren zij talige beperkingen, een groter (mentale) vermoeidheid, minder improvisatievermogen, minder tevredenheid over hun eigen onderwijs. Verder hechten ze meer belang aan goede doceervaardigheden (om talige beperkingen te compenseren). Uit observatieonderzoek naar (effectief) doceergedrag blijkt dat het gebruik van Engels als voertaal leidt tot een beperkte vermindering van redundantie, expressiviteit, helderheid, nauwkeurigheid, spreektempo (in 1 onderzoek) en ontlokken van verbale reacties bij leerlingen (1 onderzoek). Wel is effectief doceergedrag waarneembaar te verbeteren door training in een Engelstalige situatie. Deze training is het meest effectief in het begintraject, als een docent begint met het verzorgen van Engelstalig onderwijs. Onderzoek naar hoe studenten colleges ervaren wijst uit dat er voor hen geen consistente verschillen zijn tussen Nederlandstalige en Engelstalige colleges. In beide talen herkennen en ervaren ze effectief doceergedrag als zodanig. Wel ervaren ze in het Engels het ontbreken van dat gedrag als storend: het vermindert hun concentratie. Onderzoek naar wat studenten van colleges begrijpen, tenslotte, geeft aan dat Engels als instructietaal geen langetermijn effect heeft op de leerresultaten van studenten. In het begin is hun begrip wel minder, maar na gewenning verdwijnt dit effect. Het gebruik van Engels heeft mogelijk zelfs een positief effect op hun leerproces: studenten lijken meer kritische verwerkingsstrategieën te gebruiken.
Wat betekenen deze onderzoeksresultaten nu voor de onderwijskwaliteit? Dit is afhankelijk van de onderwijsopvatting die je hebt. Lange tijd lag de nadruk op onderwijs als kennisoverdracht van de docent naar de student. Uitgaande van deze stroming impliceert het gebruik van het Engels een vermindering van de onderwijskwaliteit. Recentere opvattingen beschouwen onderwijs als een actief proces aan de kant van de lerende: kennis ontstaat als de lerende die construeert. Uitgaande van deze stroming leidt het gebruik van het Engels niet tot vermindering van de onderwijskwaliteit.
Onderzoek naar de relatie tussen het Engels als voertaal en de kwaliteit van onderwijs geeft dus niet zonder meer uitsluitsel over de invoering van het Engels in onze universiteiten. Hiervoor zijn er andere, relevantere vragen te beantwoorden. De meest relevante vraag lijkt te zijn wat ‘de’ Nederlandse taal te winnen of te verliezen heeft als we het Engels of Nederlands gebruiken als onderwijs- en wetenschapstaal.
[- Wat is het effect van de voertaal Engels op de beheersing van de moedertaal?
- Wat is de invloed van de voertaal Engels op de ontwikkeling van de Nederlandse taal?
- Wat is de invloed van het Nederlands als voertaal en wetenschapstaal op de ontwikkeling van de Nederlandse taal (bij de gemiddelde gebruiker?
- Wat is het potentieel verlies van de Nederlandse taal bij het Engels als voertaal?]
Gebruikte onderzoeken Nederland:
-Huibregtse (2000). Effect en didactiek van tweetalig voortgezet onderwijs in Nederland. Utrecht: W.C.C. proefschrift.
- Jansen, E.P.W.A. et al. (2001). De relatie tussen onderwijsopzet en studieresultaat. ORD Proceedings, 28e Onderwijs Research Dagen, Universiteit van Amsterdam, SCO-Kohnstamm Instituut/ILO, pp. 263-265.
- Klaassen, R.G. (2001). Engels als voertaal. - ISBN 90-517-0568-9 (vervolgonderzoek na de scriptie van Vinke, A.A.)
- Vinke, A.A. (1995). English as the medium of instruction in Dutch engineering education. Delft: Delft University Press. ISBN 90-407-1168-2
Tweede spreker was prof. dr. Jaap van Marle.
Samenvatting
Verlies van taalbereik: culturele en sociale gevolgen op termijn
Hoe ernstig is het eigenlijk dat het Engels in opmars is (lijkt te zijn) als onderwijstaal? Zoals van een vraag als deze mag worden verwacht, is het antwoord niet zo maar duidelijk. Immers het antwoord is gekoppeld aan een aantal vooronderstellingen t.a.v. wat ‘standaardtalen’ eigenlijk zijn, respectievelijk zouden moeten zijn. Vooropgesteld dit, veel personen realiseren zich niet dat ‘standaardtalen’ – nationale talen is misschien wel een juistere benaming – veel jonger zijn dan veelal wordt aangenomen. Nationale talen zoals het Duits, het Engels, en het Nederlands zijn namelijk in hoge mate 19e-eeuwse uitvindingen, althans wanneer men onder een nationale taal een algemeen aanvaarde norm voor zowel mondeling als schriftelijk taalgebruik verstaat.
Kortom, wanneer wij spreken over nationale talen, dan hebben we het over een betrekkelijk recent fenomeen. Nu kan men de nationale talen koesteren omdat men ze als zeer waardevol ervaart, en daar is niets op tegen, maar eerlijkheid gebiedt te zeggen dat nationale talen veel minder monolithische entiteiten zijn dan men misschien wel zou verwachten. Nationale talen zijn met name aan veel meer verandering onderhevig dan velen zouden denken (en waarschijnlijk ook zouden willen). Wie ‘oude’ nieuwsprogramma’s – en onder ‘oud’ versta ik dan, de jaren ’60 – op de televisie terugziet, zal gefrappeerd zijn door de volstrekt andere normen die nog geen vijftig jaar geleden voor mondeling taalgebruik golden. Die programma’s kunnen eenvoudigweg tot geen andere conclusie leiden dan dat de grootschalige informalisering die onze samenleving zo grondig heeft veranderd, ook het Nederlands bepaald niet onberoerd heeft gelaten. In dit verband is vooral interessant te constateren dat de oorspronkelijke normen op grote schaal zijn losgelaten.
Hoe zit dat nu met de opmars van het Engels? Natuurlijk, juist door het loslaten van de normen krijgt het Engels een kans, het dringt gemakkelijker binnen dan in een tijd dat de nationale taal in hoge mate ‘maakbaar’ werd geacht (namelijk d.m.v. het onderwijs). En dat Engelse woorden en uitdrukkingen gemakkelijk binnendringen, is duidelijk. Heel iets anders is het verdringen van het Nederlands door het Engels in bepaalde domeinen, bijvoorbeeld het onderwijs. In potentie is dat een gevaarlijker ontwikkeling omdat dit laatste direct samenhangt met ‘het domein’ van het Nederlands, d.i. het geheel aan situaties waarbinnen het Nederlands wordt gehanteerd. Wanneer het enkel en alleen het academisch onderwijs zou betreffen, dan zou men hier misschien nog overheen kunnen stappen, wijzend op het feit dat onderzoek (het fundament van academisch onderwijs) nu eenmaal per definitie een internationale aangelegenheid is. Echter, de inktvlekwerking is in Nederland al duidelijk zichtbaar: het oprukken van tweetalig onderwijs in lagere en middelbare scholen, d.i. onderwijs waarin naast het Nederlands nog een andere taal als onderwijstaal fungeert (in de regel natuurlijk vrijwel steeds het Engels).
Ook al kan ook over deze ontwikkeling genuanceerd worden gedacht, het risico dat het Nederlands geleidelijk aan een tweederangs taal zou kunnen worden, is niet helemaal denkbeeldig. Momenteel staan de ‘klassieke’ nationale talen toch al onder druk, en het opgeven van bijvoorbeeld het Nederlands als onderwijstaal sluit daar in feite rechtstreeks bij aan. En ook omgekeerd, wanneer het Nederlands geen onderwijstaal meer zou zijn, dan neemt de status van het Nederlands verder af. Anders gezegd, wie met lede ogen het afnemend prestige van de nationale talen aanziet (niet slechts waarneembaar bij het Nederlands!), doet er verstandig aan om op dit punt waakzaam te zijn. Het risico is niet zo zeer dat het Nederlands zou verdwijnen, maar vooral dat het afzakt tot tweederangs taal.
Laatste spreker in dit rijtje van drie is prof. dr. Reiner Arntz, Universität Hildesheim.
Samenvatting
Moedertaal of vreemde taal: bekeken vanuit een ander taalgebied
Meer dan één cultuurtaal moet zich tegenwoordig verdedigen tegen een al te grote invloed van de lingua franca Engels. Dat betreft de status van die talen op nationaal en internationaal vlak, maar ook hun structuur, in het bijzonder hun woordenschat. Voortdurend dringen er immers nieuwe leenwoorden uit het Engels die talen binnen. – In deze tijden van globalisering betwijfelt niemand de noodzaak van een taal waarmee men zich overal ter wereld verstaanbaar kan maken, maar er moeten duidelijke grenzen zijn.
Ook in de communicatie tussen vakmensen mag die lingua franca niet de plaats innemen van de respectieve moedertalen, want dat zou voor alle cultuurtalen funest zijn, behalve voor de lingua franca zelf. Om te beginnen zouden de talen in kwestie in hoge mate aan prestige inboeten, zeker in domeinen van het weten die een hoog aanzien genieten. En nog erger zouden de gevolgen zijn voor de vakmensen die toevallig niet de lingua franca als moedertaal hebben. Het begrijpen van moeilijke verbanden en zeker het formuleren van nieuwe, originele gedachten lukt immers het best in de moedertaal.
Een oplossing voor het internationale talenprobleem kan er ook niet in bestaan dat men overal alleen nog de moedertaal en de lingua franca Engels leert. Op die manier bewust afzien van veeltaligheid – wat in sommige landen al gebeurt – leidt onvermijdelijk tot geringschatting van de andere cultuurtalen. Het effect daarvan is bovendien dat er vaak op een erg laag niveau gecommuniceerd wordt, doordat het Engels voor allebei de gesprekspartners een vreemde taal blijft.
In tegenstelling met zo’n mogelijke trend heeft de Europese Unie bewust voor het principe van de veeltaligheid gekozen. Sinds lang steunt ze het ontwikkelen van taalprogramma’s die het leren van minder verbreide talen moeten vergemakkelijken. En in dat kader speelt de ‘passieve meertaligheid’ een belangrijke rol: de gesprekspartners begrijpen elkaars taal, maar spreken allebei hun eigen taal.
Tegen deze achtergrond wordt de taalcursus "Kontrastsprache Niederländisch” voorgesteld, die de spreker samen met zijn collega prof. dr. Jos Wilmots van de Universiteit Hasselt heeft samengesteld en die in de afgelopen tien jaar met succes is uitgetest bij talrijke Duitse studenten. In deze methode, die intussen als boek is verschenen bij de Duitse uitgeverij Egert, staat de verwantschap en de vergelijking van beide talen centraal. Bovendien is de cursus modulair opgebouwd: eerst is de leesvaardigheid aan de orde, waarmee de leerder vlug opschiet, daarna pas komen de spreek en schrijfvaardigheid.
Een belangrijk streefdoel van deze opzet is het Nederlands als middelgrote Europese cultuurtaal meer bekendheid te geven en het gebruik van het Engels als lingua franca tussen sprekers van zo sterk verwante talen als het Duits en het Nederlands overbodig te maken. Dat laatste lukt echter alleen als een grote meerderheid van Nederlandstaligen zich bewust is van de waarde van hun moedertaal en zich actief inzet voor het gebruik van het Nederlands als taal van de wetenschap.
_____________
Voor de lunchpauze kreeg uit handen van Stichting Nederlands Voorzitter Arno Schrauwers Thomas van der Dunk de LOF-prijs 2007 van de stichting Nederlands.
Thomas was kandidaat voor de Lofprijs, omdat hij op 23 november 2007 in de Volkskrant een pittig en keurig artikel schreef over de vlucht van de Nederlandse 'elite' naar het Engels. Engels op de universiteit zet de Nederlandse studenten op afstand en sluit de elite af van de rest van Nederlands, aldus Von der Dunk in dat artikel.
Wat personalia over de gevierde publicist.
Thomas von der Dunk (1961) studeerde van 1979 tot 1988 aan de Universiteit van Amsterdam kunstgeschiedenis en archeologie (specialisatie: architectuur).
Was van 1989 tot 1993 als Assistent-in-opleiding verbonden aan de vakgroep geschiedenis in Leiden, waar hij op 10 maart 1994 promoveerde op 'Das deutsche Denkmal. Ein Abriss in Stein' (handelseditie 1999) over de politieke en ideologische aspecten van de monumentencultus in het Heilige Roomse Rijk van de veertiende tot de achttiende eeuw.
Van 1994 tot 2002 was hij als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de vakgroepen geschiedenis in Utrecht en Leiden. Sinds 2002 is hij gevestigd als zelfstandig publicist en politiek commentator.
Van zijn hand verschenen o.m. als cultuurhistorische studies: De schaduw van het Teutoburgerwoud (2000), Een Kathedraal voor Amsterdam (2003), Een Hollands Heiligdom (2007); als politieke bundels: Alleen op de Wereld (2001), Rusland en Europa (2003), Buiten is het koud en guur (2004). Hij dankte van harte en op een pittige, geestige wijze voor de hem toegekende prijs.
______________
 |
De congresdeelnemers in De Schelp |
Nederlands als taal van onderwijs en wetenschap
De namiddagzitting werd geleid door lic. Ghislain J.J. Duchâteau. Hij verleende eerst het woord aan prof. dr. Joop van der Horst.
Samenvatting
Over de maakbaarheid van taal van hoger onderwijs en wetenschap
De maakbaarheid van taal, zowel op microniveau (taalverzorging) als op
macroniveau (taalpolitiek), is net als veel andere historische
gebeurtenissen slecht aantoonbaar. Hebben de inspanningen (het gewenste)
effect? Maar even moeilijk als het aantonen van de effecten is het
aantonen dat ze geen effect hebben. Ergo: het is in belangrijke mate een
geloof. Wel, er is niets tegen een geloof; maar het is meer dan
waarschijnlijk dat dit geloof zijn langste tijd gehad heeft.
De tweede spreker was Dr. Renata de Bies van de Universiteit Paramaribo. Zij sprak over het Nederlandstalig hoger onderwijs in Suriname.
Samenvatting

|
Renata de Bies en Reiner Arntz |
Notities met betrekking tot het Nederlands in Suriname, in het bijzonder het Nederlands als onderwijstaal.
Ondanks zijn dominante positie in de Surinaamse gemeenschap voert het Nederlands in Suriname anno 2008 nog steeds strijd, met name in het domein van het onderwijs om deze positie die het door strijd heeft verworven, te behouden.
De eerste strijd van het Nederlands is al gevoerd. Het doel ervan was een dominante positie te verwerven in de Surinaamse maatschappij. De strijd met het Nederlands als aanvaller werd voornamelijk gevoerd tegen het toenmalige Nengre (Negerengels) dat nu is uitgegroeid tot het Sranan. Deze is een hardnekkige, bewuste en openlijke strijd geweest, en het Nederlands is niet zonder kleerscheuren uit deze strijd gekomen. Het Nederlands kreeg een ander gezicht, een Surinaams gezicht en gaat nu door het leven als Surinaams-Nederlands, het natiolect van het Nederlands in Suriname. Dit Surinaamse gezicht van het Nederlands zorgt voor zijn behoud in Suriname, want het is dit Surinaams-Nederlands dat de veeltalige situatie in Suriname in evenwicht houdt en taalconflicten voorkomt.
De tweede strijd die het Nederlands in Suriname voert, nu dan wel als Surinaams-Nederlands, is een subtielere. Het Surinaams-Nederlands wordt op zeer onopvallende manier bevochten door het Engels, de taal van globalisering. Deze strijd kent echter ook momenten van openlijke aanvallen en externe factoren helpen een handje mee in het voordeel van het Engels.
Maar toch blijft het Nederlands (anno 2008) vooralsnog zijn positie behouden in Suriname.
Wie uiteindelijk deze strijd zal winnen is nog niet duidelijk, misschien zal de discussie na deze voordracht enig inzicht verschaffen in de toekomst van het Nederlands in Suriname, met name in het hoger onderwijs.
Deze voordracht is bedoeld om de discussie over de positie van het Nederlands in het Hoger Onderwijs op gang te brengen is in 2 delen verdeeld.
Deel I: Vernederlandsing van de Surinaamse Maatschappij (ongeveer 1876-1954). Strijd tegen het Nengre
In dit deel komen aan de orde:
Inleiding =. Korte bespreking stabiele veeltaligheid in Suriname. Elke taal heeft eigen functie.
Maatschappelijk leven door Sranantongo en Surinaams-Nederlands beheerst
1. Wat is SN ( korte geschiedenis Nederlands in Suriname, ontstaan SN, functies SN, rol SN, Norm Nederlands in Suriname
2. Nederlands in Surinaams Onderwijs. (vernederlandsing Suriname, strijd tegen Nengre)
a. Koloniale tijd (1876-1954) Geen hoger onderwijs. Nederlands enige instructietaal etnocentrische norm
b. Van autonoom deel tot onafhankelijke staat (1954-1980)
Wet hoger onderwijs : Universiteit dateert bijv. Van 1968. Instructietaal Nederlands. Terminologie in HO Nederlandstalig (bijv. Geneeskundige school ) Namen faculteiten in het Nederlands
Deel II: Subtiele verengelsing Surinaamse maatschappij
1. Subtiele verengelsing Surinaamse maatschappij, al ingezet voor 1975 Engelse invloed Lexicon SN bewijs (1975 Eerste kreten invoering Engels )
2. Taalbeleid en taalpolitiek Suriname is tweesporen beleid
1.Taalpoltiek ten gunste van het Engels
a. Jaarrede 2001 president bespreekt bevordering rol Engels
b. 2007/2008 invoering Engels als vak derde klas basisonderwijs piloot project MOP 2001- 2005 introductie Engels als tweede taal
c. Externe factoren bevordering Engels
1995 Suriname lid Caricom roep Engels als eerste of tweede taal groter
2007 Suriname lid CSME (Caribbean Single Market and Economy)
d. Interne factoren
Dilemma van het Nederlands (identiteit)
2. Taalpolitiek ten gunste van het Nederlands
2005 Suriname lid NTU. Nog steeds geen standaardisatie SN
3. Verengelsing Maatschappij inclusief Hoger Onderwijs
Media zelden of nooit ondertiteling op tv. Nieuws in het Engels op de radio;
Terminologie (namen studies en instituten en instructietaal HO
Prof. dr. Willy Martin, voorzitter NL-Term, trad nu op als spreker. Hij behandelde “Het Nederlands als vaktaal”
Samenvatting
Om te komen tot een antwoord op de vraag 'hoe staat het met het Nederlands als vaktaal?' is er een zevenstappenplan ontwikkeld. De zeven stappen zien eruit als volgt:
1. Taal bestaat bij de gratie van variatie
(maakt duidelijk dat er verschillende soorten taal zijn waarbij onder meer de meer algemene wordt 'gevoed' door de minder algemene)
2. Wat is vaktaal?
(definieert vaktaal door middel van haar inhoud en specifieke communicatieve situaties)
3. Wie is wie in vaktaal?
(gaat in op de verschillende communicatieve situaties die eigen zijn aan vaktaal; de figuren 1, 2 en 3 zijn daarbij van belang)
ALGEMENE
VAKTAAL TAAL
Fig. 1: Algemene Taal vs. Vaktaal
ALGEMENE
VAKTAAL TAAL
Fig. 2 Vaktaal vs. Algemene Taal
ALGEMENE
TAAL
VAKTAAL
Fig. 3 Vaktaal vs. Algemene Taal
4. Vaktaal en wetenschapstaal
(wetenschapstaal wordt gedefinieerd als wetenschappelijke vaktaal met een eigen problematiek bij de kennisoverdracht/communicatie)
5. Hoe belangrijk is vaktaal/wetenschapstaal voor moedertaal?
(wetenschapstaal is niet 'gans de (algemene) taal' maar staat er niet los van (zie fig. 1) en heeft een belangrijke impact op haar groei)
6. Hoe 'gans de wetenschap' is de taal?
(als die taal het Nederlands is, is haar rol bij vakinterne communicatie almaar beperkter geworden, wat niet noodzakelijk tot dramatische gevolgen hoeft te leiden zolang er voldoende ruimte is voor vakinterne – vakexterne communicatie)
7. Als u het mij vraagt...
(hierin worden een aantal aanbevelingen gedaan naar Overheid, Wetenschappers en hun Bestuurders toe met betrekking tot het hoger onderwijs, het meten van de resultaten van onderzoek, het populariseren van die resultaten, de aanleg van een databank 'Overheidsterminologie' en de bouw van een Vaktaalcorpus; deze aanbevelingen moeten leiden tot een optimale situatie anno 2008: een waarbij onze wetenschappers en internationaal 'meepraten' én er toch voldoende doorstroming blijft vanuit de wetenschappelijke vaktalen naar de algemene standaardtaal toe.)
Debat en conclusies - Een nieuw elan

Debat met een Forum en congresdeelnemers onder
voorzitterschap van Hugo Weckx, voormalig Vlaams minister van cultuur
Els Ruijsendaal, rapporteur, Benelux-universitair centrum
Forumdeelnemers:
- Renata de Bies, Anton de Kom universiteit Paramaribo
- Reiner Arntz, Universität Hildesheim
- Thomas von der Dunk, cultuurhistoricus en publicist, Amsterdam
- Dirk De Cock, lid Vlaams Parlement, VlaamsProgressieven
- Erik Meijer, lid Europarlement, fractieleider Socialistische Partij
Vooral de inbreng van de congresdeelnemers leverde heel wat denk- en gespreksstof op.
Opgemerkte tussenkomsten van Yvo Peeters en Eric Ponette
 |
Yvo Peeters |
Eric Ponette |
 |
Els Ruijsendaal bracht tot slot een keurig, volledig en mooi ingekleurd verslag uit van de werkzaamheden van deze congresdag.
De inhoud van het congres wordt binnen een heel kort tijdbestek vastgelegd in een verslagboek, waaruit geput kan worden voor het verdere openbare debat over de positie van het Nederlands in het hoger onderwijs en wetenschap.
Het Ampzing Genootschap luisterde het congres op met kruimige liederen en muziek. Het maakte een schitterende reportage over het congres vanuit zijn eigen luchtige invalshoek. Aanbevolen is dat audiovisueel prestatiestukje te bekijken en te beluisteren. Je vindt het op de webstek van het Ampzing Genootschap.
Klik hier
Redactie en foto’s Ghislain Duchâteau

Het VVA heeft als doelstellingen:
- culturele en maatschappelijke vorming
- verspreiding van wetenschap en cultuur
- behartiging van de belangen van academici:
het universitair onderwijs, de permanente vorming, toekomstmogelijkheden en verantwoordelijkheden van de academicus, het wetenschappelijk onderzoek, de plaats van het Nederlands in onderwijs en wetenschap
- ijveren voor verdere Vlaamse ontvoogding en ontplooiing van de Nederlandse cultuur.
Lidmaatschap staat open voor alle masters, afgestudeerd aan universiteiten en hogescholen die, vanuit welke persoonlijke levensbeschouwing dan ook, bereid zijn tot Vlaams en maatschappelijk engagement. Bewust van de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de academicus stond het VVA aan de spits in de permanente vorming, de zorg voor het Nederlands in onderwijs en wetenschap, de strijd voor de depolitisering van de benoemingen en de Vlaamse Beweging in het algemeen.
Het VVA biedt u:
- een vriendenkring over alle beroepen, studierichtingen en leeftijden heen
- hoogstaande lezingen, bezoeken, uitstappen in of vanuit uw streek
- Vlaams engagement
- een academische publicatie (Vivat Academia)
- een jaarlijkse algemene ledendag en andere nationale lezingen of trefdagen.
Er zijn VVA-afdelingen in Oostende, Brugge, Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Taxandria, Klein-Brabant, Campinia, Brussel, Leuven-Hageland en Limburg.
|