Omhoog
Reflectief
In april 2010 verscheen:

De congresbundel "Nederlands in hoger onderwijs & wetenschap?" - Congres 10 oktober 2008 Vlaams Parlement - Lees daarover op deze site op de pagina Teksten.
Wie zich de problematiek van het taalgebruik in het hoger onderwijs eigen wil maken, krijgt in deze publicatie alle informatie aangeboden die hij/zij zich maar kan wensen.
Naar boven
De heilloze onderschatting van taalonderwijs – Mia Doornaert 24-1-2013
in haar artikel in DS “Slordig onderwijs is sociaal onrecht”

"Als jonge mensen in een lerarenopleiding niet in staat zijn de Atlantische Oceaan op een wereldkaart aan te duiden, dan zegt dat alarmerend veel over het niveau van ons lager en middelbaar onderwijs – uitzonderingen niet te na gesproken.
‘Ik zien a gèren'
Een belangrijke factor daarin is de heilloze onderschatting van taalonderwijs. Je mag van de kinderen niet meer vragen dat ze nog spraakkunst beheersen, en dat ze nog correct schrijven en spreken. Belangrijker is dat ze leren ‘communiceren'. De vorm heeft niet zoveel belang ‘als de boodschap maar overkomt'. Wel ja, waarom dan maar niet meteen alle liefdespoëzie afschaffen, en de boodschap beperken tot ‘ik zien a gèren'?
Breder gezien is het gewoon onzin de vorm en inhoud te willen scheiden. Men kan niet denken zonder woorden, en niet genuanceerd denken zonder een genuanceerde taal. ‘Taal is een handschoen die strak om de huid van de inhoud zit', zei Godfried Bomans terecht, die woordkunstenaar die meesterlijk het hele palet van de taal bespeelde, van lichtvoetige ironie tot filosofische ernst. Dat geldt niet alleen voor de zogenaamde menswetenschappen. Ook voor wetenschapslui geldt dat ze maar echt begrijpen waarmee ze bezig zijn als ze hun werk in een klare taal kunnen toelichten, en zich niet verschuilen achter een duister jargon.
Het is dan ook een schande dat onze scholen nog zo weinig aandacht besteden aan taal. Leraars mogen wel punten aftrekken als in een test Nederlands taalfouten staan. Maar als testen over geschiedenis of aardrijkskunde of welk vak ook wemelen van de taalkemels, dan mag daar niet het rode potlood door. Boodschap: Nederlands hoef je alleen in de taalles min of meer correct te gebruiken, daarbuiten heeft de taal geen enkel belang.
Die verwaarlozing heeft naast een opvoedkundig ook een verstrekkend maatschappelijk belang. De school levert daardoor burgers af zonder weerwerk tegen de al of niet valse profeten ‘die het goed kunnen zeggen'."
N.a.v. het mediadiscours rond de publicatie van het eindrapport
"Onderzoek naar de politiek-maatschappelijke, geografische, historische en economische kennis bij studenten lerarenopleiding secundair onderwijs" - Jan Swerts & Kurt Monten KH Limburg
Naar boven
Omgaan met thuistaal op school
Acht op de tien leerlingen die op een Vlaamse school Turks of Arabisch gebruiken, lopen kans om strafstudie te krijgen. Zo bleek uit een onderzoek van drie Vlaamse universiteiten. De onderzoekers brengen dit gegeven zelfs in verband met de zwakkere onderwijsresultaten van de leerlingen van Turkse of Marokkaanse herkomst. Maar onderwijskoepels verdedigen hun scholen en stellen dat leerlingen op school zoveel mogelijk Nederlands moeten spreken, ook op de speelplaats, want veel Turkstalige en Arabisch-talige leerlingen spreken thuis geen woord Nederlands. Daar valt veel over te zeggen…
1. Eerst en vooral: wellicht niemand zal betwisten dat Vlaamse schoolteams hun uiterste best moeten doen om leerlingen te ondersteunen in hun verwerving van het Nederlands. Dat Nederlands hebben de leerlingen immers nodig om zichzelf volop te ontplooien op school en daarbuiten, en om hun kansen op maximale ontplooiing in hun verdere leven gaaf te houden. Hoogstaand onderwijs van, en in, het Nederlands is een wezenskenmerk van duurzaam onderwijs.
2. Toch hoeft dat niet per se te betekenen dat er geen plaats of ruimte kan zijn voor de thuistaal van leerlingen. Ten eerste kan een openheid en respect voor de thuistaal van leerlingen hun welbevinden bevorderen. Vlamingen weten meer dan wie ook dat een thuistaal een deel is van je identiteit. Wie zijn thuistaal onderdrukt of bestraft ziet, zou wel eens een wezenlijk deel van zijn identiteit afgekeurd kunnen zien. Positiever uitgedrukt, een school die de thuistaal positief benadert, kan daardoor het welbevinden van leerlingen op school bevorderen. Dat werd onlangs nog eens aangetoond in het onderzoek naar de effecten van het thuistaalproject in Gentse scholen. Internationaal onderzoek wijst bovendien uit dat welbevinden bevorderlijk is voor leren op school. Deze positieve spiraal kan dus bijvoorbeeld op de speelplaats in gang gezet worden: dat is immers de plaats waar de leerlingen uitblazen, zich ontspannen, hun emoties de vrije loop laten, en dat doen jonge mensen nog altijd het best als ze zich op hun gemak voelen, en dus bijvoorbeeld van hun thuistaal (of thuisdialect) mogen gebruik maken.
3. Er wordt wel eens beweerd dat het Nederlands bij leerlingen van een andere etnische herkomst ‘knuffelgehalte’ mist. Als leerlingen op de speelplaats Nederlands spreken, zou dat knuffelgehalte stijgen. Maar als dat gepaard gaat met het bestraffen van andere talen, dreigt Nederlands net een ‘bestraffingsgehalte’ te krijgen, eerder dan een knuffelgehalte.
4. Het argument dat leerlingen van Turkse en Marokkaanse herkomst zoveel mogelijk Nederlands moeten spreken omdat ze thuis geen woord Nederlands horen of spreken, klopt niet. Vlaams onderzoek (waaronder doctoraatsonderzoek dat ikzelf begeleidde) wijst uit dat de situatie veel genuanceerder is. Heel veel leerlingen van Turkse en Marokkaanse herkomst gebruiken thuis wel Nederlands: ze kijken ook naar Ketnet, ze spreken ook Nederlands (vooral met broers en zussen), ze gebruiken ook Nederlands om te chatten en te surfen op het internet. Precies deze leerlingen zijn vaak meertaliger dan vele van hun Nederlandstalige leeftijdsgenoten.
5. Sommige pedagogen pleiten ervoor dat niet-Nederlandstalige leerlingen ook in de les soms hun thuistaal mogen inzetten als hulp bij het leren in het Nederlands. Zo kunnen ze bijvoorbeeld tijdens groepswerk kort even overleggen in hun thuistaal over een lastige taak, een moeilijk Nederlands woord snel vertalen naar hun eigen taal, informatie opzoeken op een website in hun eigen taal, of een grammaticaregel van het Nederlands vergelijken met de regel in hun eigen taal om er beter greep op te krijgen. De thuistaal wordt dan een hulpmiddel (een steigertje) bij het leren van, en in, het Nederlands. Leerkrachten kunnen hierover heldere afspraken maken met hun leerlingen: wanneer kan het, en wanneer niet? De leerlingen betrekken bij het maken van die afspraken, kan bovendien bijdragen tot de democratische opvoeding van leerlingen, en kan ertoe leiden dat de leerlingen ‘hun’ regels beter eerbiedigen.
6. Om het in termen van duurzaam onderwijs uit te drukken: ruimte geven aan de thuistaal van de leerlingen kan verbindingen creëren, en duurzamer maken, tussen thuismilieu en schoolmilieu, tussen buitenschoolse leefwereld en binnenschoolse leefwereld, tussen kennis verworven thuis en kennis aangeboden op school, tussen leren en leven, tussen emotie en cognitie, tussen leerling en leerkracht, tussen ouders en leerkracht.
7. Nog een stap verder gaat het meertalig onderwijs: daarbij wordt een deel van de lestijden in de thuistaal van de leerlingen gegeven. De leerlingen leren dan bijvoorbeeld eerst rekenen, lezen, of de werking van een hefboom ontleden in hun eigen taal, en maken in een tweede fase de overstap naar het leren in de tweede taal. Dit model is in vele landen in het buitenland ingevoerd en uitvoerig onderzocht. Internationaal onderzoek wijst uit dat dit model enkel goed werkt als er een voldoende aantal jaren in het onderwijs in de eerste taal wordt geïnvesteerd (zodat ook die moedertaal wordt ontwikkeld op voldoende hoog, schools niveau), als er goede lesmaterialen en leerkrachten aanwezig zijn, veel steun van de ouders, en een goede afstemming van het onderwijs in de eerste taal en in de tweede taal.
8. In Vlaanderen gaat de ruimte voor andere talen vooral (of zelfs uitsluitend) naar de vreemde talen die we als vak onderwijzen (Frans en Engels vooral). Ook hiermee starten we in vergelijking met andere landen in Europa vrij laat. Veel andere landen doen al veel vroeger aan talensensibilisering (waarbij leerlingen vanaf kleuterleeftijd positieve attitudes ontwikkelen tegenover alle talen, en het leren van talen), en taalinitiatie (waarbij een vreemde taal op een speelse, kindvriendelijke manier) wordt aangeleerd.
De conclusie voelt wat vreemd aan: Vlaanderen lijkt wel een beetje bang van meertaligheid. Dat is gek voor een regio die in het hart van Europa ligt, en er zelfs de officieuze hoofdstad van is. Een regio die altijd trots is geweest op de talenkennis van haar bevolking. Een regio die met open blik in de wereld wil staan. Een regio die er veel bij te winnen heeft (op sociaal, cultureel, economisch vlak) als haar bevolking heel veel talen vlot kan spreken. Een regio die als geen ander de waarde van een moedertaal voor een mens kan inschatten. Een bruisend kruispunt van talenkennis en talentrots. I have a dream that one day this nation will rise up and live out the true meaning of its creed: haar taligheid. Haar MEERtaligheid.
Kris Van den Branden
(prof. KUL – belast met de Aggregaatsopleiding Nederlands)
Bron: http://duurzaamonderwijs.com/
Naar boven
Opinie over het Nederlands
Prominenten geïnterviewd in De Standaard van zat. 29 zond. 30-12-2012
Peter De Roover, Vlaams-nationalist
“Keihard tégen de N-VA zijn is ook typisch Vlaams’ p.12-14
p. 14.
“Ik voel mij zeer onafhankelijk als leraar. Ik geef les in het technisch onderwijs, in een concentratieschool in Deurne-Noord. En ik doe dat ongelofelijk graag.”
Wat leert u in de klas?
“Dat er geen toveroplossingen bestaan om de problemen van de multiculturele samenleving op te lossen. Maar dat het Nederlands essentieel is om samen een gemeenschap te vormen. Als wij in onze school het gebruik van het Nederlands niet verplichten, krijgen we een etnisering van de speelplaats. Dan spreken de Russen in het Russisch af hoe ze de Albanezen te grazen zullen nemen.”
Moet het gebruik van de huistaal bestraft worden?
“Repressie is niet mijn ding, maar we mogen niet te soft zijn. De wereld is niet van marsepein. Ik kan het goed vinden met mijn leerlingen omdat ik hen fundamenteel respecteer, en dat weten ze.”
[Eigen commentaar: jawel, de hele school moet er gewoon aan worden dat er Nederlands gesproken wordt. Hier past “zachte dwang”. G.D.]
Yasmine Kherbache, SP.A-opposante
“Een burgemeester moet een bestuurder zijn, geen commentator” p. 16-18
p. 18.
Heeft u de laatste discussie tussen de N-VA en de kunstensector gevolgd?
“Ik heb het opiniestuk van Bart De Wever (N-VA) in jullie krant gelezen, ja.”
Het was volgens sommigen nogal warrig. Begreep u het?
“Euh, ja. (lacht) Ik vond het, euh, wat ik ervan onthouden heb, is dat hij weinig liefde uitstraalt voor kunst en cultuur. Net zoals me in het Antwerpse bestuursakkoord opvalt dat er weinig liefde is voor het Nederlands. Ik vind Nederlands heel erg belangrijk, maar nu wordt het bijna uitsluitend nog gezien als een instrument voor sancties. Daarmee stigmatiseer je die taal helemaal. Die keuze kan ik niet begrijpen.”
[Eigen commentaar: Nederlands, een instrument voor sancties? Die idee spruit voort uit een louter oppositionele politica.G.D.]
Philippe Van Parijs, filosoof
‘Het is mijn taak om te vroeg gelijk te hebben’ p. 26-28
Hij gunt het Nederlands zijn plaats naast eerst het Engels als lingua franca en dan het Frans.
p. 28
“Over de grens kijken leert je afstand nemen van het gepolariseerde discours bij ons’.
Aan Belgische of Brusselse knelpunten is dus niets specifieks?
“Toch wel. Anders dan wat in Frankrijk gebeurde, is het onze voorzaten niet gelukt om België op basis van één taal tot een natie te maken. En respect voor de twee grote talen is belangrijk. Maar door dat goed te doen, ontstonden andere problemen. We kunnen daar natuurlijk over jammeren. En ja, solidariteit en democratie zijn gemakkelijker te organiseren als er maar één taal is. Maar het is niet zo, laten we dat oplossen. We kunnen het Tsjecho-slovaakse voorbeeld volgen en splitsen. Dat is een redelijk voorstel. Maar kan het in België? We zijn, onder meer door onze geschiedenis, toch sterk met elkaar verweven. Dus moeten we ons anders organiseren.”
“Door de meertaligheid kreeg de subsidiariteit meer gewicht. Omdat een bevolking het best in haar eigen taal beslist, kregen de deelstaten zeer uitgebreide bevoegdheden. Maar dat stelt nieuwe uitdagingen. Dat Brussel nooit groter kon worden, kwam door het gebrek aan vertrouwen, zoals bleek in de Vlaamse marsen op Brussel in de jaren zestig. Men beseft niet hoe vreedzaam onze communautaire verhoudingen sindsdien zijn geworden: zulke marsen zijn nu ondenkbaar.”
Vandaar uw idee: Brussel moet een drietalige stad worden?
“Als Europese hoofdstad moet Brussel het al prominente Engels erkenning geven. Niet om de Wetstraat nu ook officieel een Engelse naam te geven. Brusselaars moeten drietalig-plus worden: Frans, Nederlands, Engels, plus de taal van wie van elders komt. Zo kan Brussel beter zijn Europese rol spelen, maar het is ook een troef voor de Brusselaars zelf.”
“Ik wil daar in 2013 werk van maken met mijn Marnix-plan, genoemd naar Filip van Marnix van Sint-Algdegonde. Hij was raadgever van Willem van Oranje en schreef zowel het Nederlandse volkslied, het Wilhelmus, als de Pacificatie van Gent, waarin voor het eerst de godsdienstvrijheid werd vastgelegd. Hij was ook twee jaar buitenburgemeester van Antwerpen, en daardoor wordt nu wel eens ten onrechte gedacht dat hij er ooit burgemeester was. Maar het betekende alleen dat hij de militaire verdediging van de stad moest organiseren. En hij was de eerste die pleitte voor meertaligheid en immersie-onderwijs. Het is een schande dat het Brusselse onderwijs daar nog altijd zo weinig aan doet.”
Ziet u het Engels in heel België de gemeenschappelijke taal worden, zoals de historicus Bruno De Wever bij Re-Bel voorstelde?
“Hij ging ervan uit dat het Engels nu toch al in heel het land feitelijk de tweede taal is. En dat klopt. Een kabinetschef vertelde me dat de teksten bij een volgende federale onderhandeling in het Engels zullen zijn; dan kan er geen discussie meer bestaan over verschillen tussen de Franse en Nederlandse versies.”
“Ik vind: grab the megaphone! Gebruik het Engels om gehoord te worden over de hele wereld. Het is ook onze taal. En het is ook nodig om ermee Europa te democratiseren en socialer te maken. Als gevolg van de fiscale en sociale concurrentie in Europa kunnen de nationale welvaartstaten steeds minder doen wat ze tot nu toe niet te slecht hebben gedaan: de herverdeling organiseren. En de politieke capaciteit daartoe bestaat nog niet op een hoger, Europees niveau.”
“Die capaciteit kwam er nationaal niet vanzelf, er was strijd voor nodig. Mobiliseren voor de welvaartstaat vereiste een efficiënte communicatie, en dat kon in de nationale taal. Ook in België, waar het Frans breed verspreid was in de elites van de sociale beweging. Om dat Europees te kunnen doen, hebben we een lingua franca nodig, het Engels.”
…
Voor dat model is wel politieke wil tot Europese solidariteit nodig?
“Een eenheidstaal zal de communicatie verbeteren, en als meer mensen toegang tot de discussie krijgen, neemt ook het vertrouwen toe.” …
Naar boven
De rector van de HUB over het Nederlands
Tijdens de plechtige avondzitting ter afsluiting van het project taalontwikkelend lesgeven op 3 oktober 2012 in de Arteveldehogeschool in Gent sprak de rector van de HUB prof. dr. Martine De Clerck over het Nederlands. Haar betoog sluit aan bij de krantenartikels die zowat een maand voordien verschenen n.a.v. de publicatie van De manke usurpator. Over Verkavelingsvlaams van drie sociolinguïsten van de Universiteit Antwerpen. Zij analyseren het gebruik van ‘tussentaal’ binnen het raam van de ‘meerstemmigheid’ van de verschillende taalregisters en zij lijken de norm te relativeren.
Wij citeren hier met haar instemming het kerngedeelte van haar toespraak:
"En dat werkveld (het onderwijs), dames en heren, klaagt. U las daarover ongetwijfeld al over in de media. Denken we hier meer specifiek aan de levendige discussie in de voorbije maand rond het al dan niet tolereren van de ‘tussentaal’, waarbij schrijvers, academici, leraars, lezers in hun pen kropen om in De Standaard, De Morgen en Het Laatste Nieuws te reageren naar aanleiding van de publicatie van De manke usurpator, Over Verkavelingsvlaams. In dit boek analyseren 2 onderzoekers en 1 docent van de UA het gebruik van de ‘tussentaal’ in het kader van de ‘meerstemmigheid’ van de verschillende taalregisters en opteren zij ervoor om de norm te relativeren. Geert Van Istendael, de ontwerper van het begrip ‘Verkavelingsvlaams’ - en die het “een manke usurpator” noemde - die, ik citeer, ‘mijn taal, het Nederlands, bedreigt, en haar voedingsbodem, het dialect, vertrapt’, reageerde op zijn typische manier in het ‘Brussels’ dialect en legde daarbij de vinger op de zere plek: “Gijle preekt wel emancipatie, maar in feite breekte d’emancipatie”.
Uit de waaier aan verdere reacties onthoud ik nog de volgende uitspraken. Van de tussenkomst van Erwin Mortier zinderen de volgende zinnen na: “maar vooral omdat werkelijke taalverrijking zichzelf maar als verrijking kan verstaan en verder kan cultiveren indien er een taalnorm bestaat waartoe we ons kunnen verhouden, waaraan we ons kunnen meten, waartegen we ons kunnen afzetten, en vooral: waarmee we kunnen spelen” … Hij pleit voor “mentoren die wijzen op de verscheidenheid van de taalregisters, die ze, naargelang van de context, bewonen”. Van Stefan Hertmans krijgen we de volgende boodschap: “Tussentaal zal altijd bestaan, ze behoort tot de levende taalsituatie en ze bevat heel wat rijkdom, schakering, expressiviteit en uiteraard affectieve lading. Maar ze kan niet als vervanger gaan fungeren van de cultuurtaal en de culturele norm van een taalgebied”. Verder pleit hij voor “Elke leraar is in de eerste plaats een leraar moedertaal”. Dat is voor hem de enige correcte houding: elke leraar moet het voorbeeld geven. Dimitri Verhulst eindigt zijn artikel met “Het is het minste wat je kan verwachten van een moderne samenleving, dat ze met haar bevolking kan communiceren in een standaardtaal. Waar anders zou dat verhaal moeten beginnen dan in een leslokaal?” Een andere lezer merkt op dat “het misschien handig is om over een taalinstrument te beschikken dat je moeiteloos van Wervik tot Groningen kunt gebruiken, of van “Nevele tot Amsterdam”. Luc Van der Kelen wijst terecht op het feit dat inwijkelingen die het integratieprogramma hebben gevolgd soms beter Nederlands spreken. Hij roept op om opnieuw wat meer discipline te hebben.
Ik wil deze opsomming van bedenkingen graag afsluiten met de wijze woorden van Jef Verschueren die een onderscheid maakt tussen taalpraktijk en taalideologie, en ons aanspoort om de publicatie ook te lezen en ons af te vragen waarin de emancipatie dan wel bestaat. De titel van zijn artikel “Taal laat niet onverschillig” is dan ook een voltreffer!
“Uit al deze citaten distilleren we de volgende kernbegrippen: taalnorm, standaardtaal, taalinstrument, cultuurtaal. De volgende werkwoorden vormen de dynamische vectoren van het taalgebruik: communiceren en spelen in het kader van de volgende aandachtspunten: context en emancipatie. Al naargelang van de context (privé, entertainment, … ) kunnen we inderdaad spreken van verschillende taalregisters die toelaten dat de meerstemmigheid in haar verscheidenheid verschijnt, waarbij de taal spelenderwijze aan haar trekken komt. In de officiële context (onderwijs, publieke ruimte) echter kan en moet men verwachten dat er andere spelregels gehanteerd worden, waarbij gestreefd wordt om via de standaardtaal zo te communiceren dat het de emancipatorische drijfveer ten goede komt.”
Geachte aanwezigen,
Het taalbeleid van HUB KAHO kadert in dit ruimer emancipatorisch diversiteitsplan. We moeten absoluut vermijden om aan sociale uitsluiting te doen. We willen zoveel mogelijk studenten die het Nederlands niet als moedertaal hebben, de kans bieden om een diploma hoger onderwijs te behalen. Zij leerden onze standaardtaal. Het kan toch niet dat een anderstalige met integratiebereidheid zijn medestudenten of professoren niet zou kunnen begrijpen omdat zij een tussentaal spreken?
En hiermee hebt u nóg een reden waarom wij zoveel investeren in taalbeleid en taalondersteuning. Meer dan een kwart miljoen euro. En dat doen we door onder meer onze docenten te professionaliseren op het vlak van ‘taalontwikkelend lesgeven’ in een context van innovatie en van ‘blended learning’. Elke leraar moet het voorbeeld geven, élke leraar. We mogen niet vergeten dat studenten in heel wat opleidingen vandaag noch in hun professionele bachelor- noch in hun masteropleiding taallessen krijgen. Studenten maken bovendien de transfer niet: in de lessen Nederlands weten ze dat ze op hun taal moeten letten, maar ze vergeten dat zeer vaak in de andere lessen, en later op het werkveld. Ze vergeten hun tekst in te delen in alinea’s en logisch te structureren, ze vergeten wat synoniemen en vaktermen aan informatie bevatten, ze vergeten het juiste taalregister te gebruiken.
Ik wil daarom, aan het einde van mijn betoog, graag twee oproepen doen. Mijn eerste gaat naar alle mentoren in de lerarenopleidingen: blijf onze standaardtaal koesteren en wijs uw studenten op de verscheidenheid van de taalregisters die ze bij- of ‘bewonen’, al naargelang van de context.
U allen wil ik oproepen tot nog meer taalliefde, taalfierheid, taalzorg en taalwaakzaamheid."
(Martine De Clercq)
Naar boven
De voorzitter van het Vlaamse Geneesherenverbond over Nederlands
De start van elk schooljaar begint traditioneel met steeds dezelfde huilende kleuter die manu militari de kleuterklas wordt binnengeleid. Daarna volgt steevast de toekomstige onderwijshervorming voorgesteld door minister Pascal Smet. Hij pleit terecht, zoals zijn voorganger, dat Standaardnederlands (SN) dé norm is in het onderwijs en hij stelt dat wie geen SN kent zich buiten de Vlaamse Gemeenschap plaatst. Dat sommigen nooit de kans hebben gekregen om SN te leren is geen argument om in het onderwijs niet de hoogste norm te hanteren.
Lees de volledige tekst van dr. Jan Dockx in
PERIODIEK, het driemaandelijks tijdschrift van het Vlaams Geneesherenverbond,
67e jg. nr. 4 – okt.-nov.-dec. 2012 VOORWOORD blz. 3.
Naar boven
Interview met Philippe Van Parijs n.a.v. zijn boek 'Linguistic Justice for Europe and for the World'
'De opkomst van het Engels, een noodzakelijk onrecht?'
Meer nog dan het Frans vormt het snel oprukkende Engels een gevaar voor het Vlaamse karakter van Vlaams-Brabant, zegt filosoof Philippe Van Parijs (UCL) in een gesprek over zijn laatste boek Linguistic Justice for Europe and for the World.
Han Renard
Philippe Van Parijs
‘ALLE KINDEREN IN BRUSSEL ZOUDEN MOETEN LEREN LEZEN EN SCHRIJVEN IN HET NEDERLANDS’
Wereldwijd en in Europa wint het Engels razendsnel veld. Geen enkele andere taal kon ooit met meer recht aanspraak maken op het predicaat van internationale omgangstaal. Het Latijn dat in de middeleeuwen voor de zogenaamde lingua franca doorging, werd slechts door een verwaarloosbare minderheid, een piepkleine elite, gesproken. Dat ligt voor het Engels vandaag wel even anders. Vraag is of de groeiende dominantie van het Engels niet onrechtvaardig is tegenover al die andere, kleinere taalgemeenschappen.
Niet noodzakelijk, aldus filosoof en econoom Philippe Van Parijs, hoogleraar aan de UCL, waar hij sinds 1991 de Hooverleerstoel voor Economische en Sociale Ethiek bezet. ‘Het internationale Engels is om te beginnen natuurlijk niet de taal van Shakespeare, en heeft nog heel weinig met de Britse cultuur te maken. Voor ons Europeanen is Global English of Globish vooral een middel om met elkaar en met de rest van de wereld te kunnen praten’, zegt hij, gezeten in de tuin van zijn herenhuis in de Europese wijk in Brussel. Het komt er voor Van Parijs juist op aan de kennis van het Engels zo breed mogelijk te verspreiden.
We moeten de verspreiding van het Engels als nieuwe lingua franca dus toejuichen en aanmoedigen. Maar waarom eigenlijk?
Lees verder
Naar boven
Open brief over de standaardtaalnorm bij de VRT - 15 november 2011
Ons verrukkelijke Standaardnederlands is dé norm en moet dé norm blijven bij onze openbare omroep
Woorden wekken, voorbeelden trekken: de openbare omroep moet verstaanbaar zijn voor iedereen. Het taalgebruik van de openbare omroep is ook van uitzonderlijk belang voor de taal- en attitudevorming van jongeren in en door het onderwijs. Die algemene verstaanbaarheid en die voorbeeldfunctie voor jongeren zijn er alleen door taal te gebruiken die voldoet aan de officiële norm, het Standaardnederlands.
Laten we niet aan de kant blijven staan, maar samen van wal steken om het Standaardnederlands binnen de VRT als norm aan boord te houden en niet alleen tijdens de nieuwsuitzendingen.
Van alle medewerkers van de VRT mag verwacht worden dat zij in de uitzendingen in overeenstemming met het bestaande Taalcharter ons verrukkelijke Standaardnederlands in zijn gaafste vorm en op doeltreffende wijze blijven hanteren.
Het is de verantwoordelijkheid van de VRT om dat te beslissen. Dat is onze boodschap. Dat wensen wij.
|
Lees verder
Naar boven
Brabant taalcentrum ?

Toevallig viel mij een overdruk in handen van het artikel van de taalwetenschapper prof. Guido Geerts uit “Forum der letteren – tijdschrift voor taal- en letterkunde 24 (1983) 1 (maart) 55-63” met de titel ‘Brabant als centrum van de standaardtaalonwikkeling in Vlaanderen’.
Het is goed af en toe eens terug te grijpen naar vroegere publicaties en de visie van de auteurs eens te toetsen aan de sindsdien geëvolueerde situatie naar nu.
Visie taalkundigen 1983
In zijn inleiding stelt Guido Geerts dat in zijn bijdrage wordt nagegaan hoe Brabant erin geslaagd is een centrale positie in het standaardiseringsproces van het Nederlands in Vlaanderen te verwerven en daarbij de “zwarte-piet’ van het particularisme aan (West-)Vlaanderen door te spelen. Verder wordt de vraag behandeld of Brabant niet steeds al particularistisch is geweest en het nu nog is en wordt ingegaan op die rol die het als taalcentrum in Nederlandstalig België zou spelen. Tenslotte wordt het eigenaardige karakter van dit Brabantse centrum geïnterpreteerd als een kracht die de convergentie van de standaardtaal in Vlaanderen met die in Nederland bevordert. We plaatsen ons daarbij in gedachten uiteraard terug tot aan het begin de jaren 80.
In een eerste deel van zijn tekst stelt Geerts dat zowel in de dialecten als in het Standaardnederlands in Limburg en Oost- en West-Vlaanderen er lexicale invloed van het taalgebruik in Brabant is aangetoond. Daarom wil Jan Goossens tegen de opvatting van prof. Van Coetsem in, Brabant beschouwen als “taaleigen centrum” m.b.t. het Nederlands in België. Brabantse woorden buiten Brabant gebruikt, gelden als manifestatie van “Brabantse expansie” volgens Goossens, in die gevallen waarin die woorden in andere dialecten voorkomen maar ook in die gevallen waarin die woorden in de algemene taal van Vlamingen en Limburgers worden gebruikt. Daarbij is het ook niet onwaarschijnlijk dat de verspreiding van algemene Nederlandse woorden in Limburg en Vlaanderen ook via Brabant gebeurt. Dat is volgens Goossens trouwens ook het geval met Franse leenwoorden en gallicismen. Zo kan Brabant als taaleigen centrum fungeren voor vormen die uit de cultuurtaal in het taalgebruik van Limburgers en Vlamingen terechtkomen.
Brabant heeft volgens Guido Geerts zeker de praktische kracht van een taalcentrum. Het ontleent die aan de sociale, economische, culturele en politieke omstandigheden in Vlaanderen. Het is de provincie van grote steden als Antwerpen en Brussel, van de universiteit van Leuven, van de zetel van het aartsbisdom, van de belangrijke industriële as Antwerpen-Brussel, van de openbare omroep van radio en televisie, van de grote landelijke dag- en weekbladen. Volgens Geerts bestaat de kans dat op al die gebieden dat verbrabanst Nederlands het medium is dat gebruikt wordt om de rest van het Vlaamse land deelgenoot te maken van de Brabantse overvloed. Hij stelt duidelijk dat Brabant zich daarnaar met grote vanzelfspekendheid gedraagt. Volgens prof. Van Coetsem echter staat Brabant tegenover de Belgisch-Nederlandse rijksgrens en moet het rekening houden met Nederland. Zijn houding is toch wel heel wat minder zelfverzekerd als men had kunnen aannemen. Ook de sociolinguïst Kas Deprez relativeerde de Brabantse positie. Het is daarom een ‘eigenaardig’ taalcentrum binnen het taalgebied. Die onzekerheid manifesteerde zich eerst door een beweging van het Nederlands weg, later geneutraliseerd door een beweging naar het Nederlands toe door standaardtaalovername. Bij een later verworven taalzekerheid van Brabant zou het wellicht in staat zijn zijn eigen taalgebruik als een norm te gaan beschouwen. Dat zou dan een institutionalisering betekenen van het Brabantse particularisme.
Situatie nu?
In het eerste decennium van de 21ste eeuw zien we die neiging zich duidelijk manifesteren met een zekere expansiedrang naar het westen en minder naar het oosten en een zekere maar toch wel beperkte expansierealisering. Zo zou Brabant dan wél een centrum zijn van het Vlaamse taalgebied. Het lijkt er wel op dat de spraakmakende gemeenschap zowel in West-Vlaanderen als in Limburg zich niet laat meetronen in die expansie, zodat die taalcentrumpositie zich toch niet zonder meer zou kunnen doorzetten. Gebeurt dat dan toch wel weer, dan zou het Brabantse particularisme voor gevolg hebben dat zich in Vlaanderen meer dan een substandaardtaalvariëteit zou vestigen, zodanig dat de grens tussen noordelijk Nederlands en zuidelijk Nederlands in de richting zou opschuiven naar een grens tussen twee talen. Ook José Cajot stelt dat de landsgrens taalgrens kan worden. Zelf geloven wij in de mogelijkheid tot een verdere standaardisering - hoewel moeizamer dan voor de jaren ’70 - door een toename van de noodzaak om communicatieve situaties spontaan en natuurlijk in het Standaardnederlands te laten plaats grijpen. Standaardnederlands past in het publieke domein, in het bestuur en beslist in het onderwijs. Het is de algemene taalgebruiksvorm die het handigst is voor communicatie in zoveel mogelijke spreekcontexten. Het blijft echter boeiend te zien hoe de evolutie van dialectgebruik, tussentaligheid en standaardtaligheid zich verder voltrekt. Wij blijven ervan overtuigd dat Nederlanders en Vlamingen er alle voordeel bij hebben om het Standaardnederlands zoveel mogelijk te cultiveren in de gewone omgang en het is zeker de aangewezen taalvorm voor het hele onderwijs.
Ghislain Duchâteau
24 oktober 2011
Naar boven
Debat rond de "teleurgang van het Standaardnederlands" in Vlaanderen met de essays van Barnard en de replieken
Neerlandica Janien Benaets in haar blog "The Sausige Machine" schrijft over "De teleurgang van het debat over de teleurgang van het Nederlands in Vlaanderen":
'Sinds vanmorgen (21-10-2011) is op deBuren.eu het door Benno Barnard heropende debat over de teleurgang van het Nederlands in Vlaanderen uit de lucht. Barnards column met de lijst van reacties is verwijderd. deBuren publiceerde een Motie van treurnis.
Open debatteren op het internet, dat heeft zo zijn consequenties. Constructief of provocatief, van helder nuancerend en argumenterend over kort impulsief tot schofferend: mag het? Het kan niet. ‘Stoorreageerders’ begonnen het forum van de hoogculturele website te besmeuren met woordverhaspelend gelettertetter. Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is maar het liedje moet wel proper blijven. Jammer toch, ik zie een gedroomde mooie kluif taalbeschouwing en meer voor mijn neus weggekaapt door de gevestigde orde! Totaal ontnuchterd blijf ik achter…'
Wij blijven het taalpolitiek gekleurd debat boeiend vinden en willen het graag toch bereikbaar houden.
De beide essays van Benno Barnard met een aantal replieken vindt u hier.
Naar boven
Wat er fout is met de zorgelijkheid van Benno Barnard - Pol Cuvelier UA
Benno Barnard maakt zich grote zorgen over het Nederlands in Vlaanderen. Het niveau holt achteruit. Regionaal gekleurd gewauwel verovert de media. We verzuipen in het Engels.
Hij vreest het ergste, want niemand lijkt zich te verzetten. In Vlaanderen (en Nederland, en Duitsland, en Spanje, en Frankrijk, en ....) zie je inderdaad steeds meer Engels. Er valt niet naast te kijken. Het is nog net te pruimen dat onze vliegvelden helemaal Engels geworden zijn - handig voor buitenlanders - maar Engels kleurt nu ook de universiteiten, grote winkels en zelfs de affiches van de jeugdvereniging. Dat heeft iets irritants: er is geen directe reden te verzinnen waarom de communicatie zou verbeteren nu er zoveel Engels gebruikt wordt.
Barnard heeft nog meer gelijk: de beheersing van de Nederlandse standaardtaal is vaak huilen met de pet op. Sommige jonge studenten en afgestudeerden hebben grote moeite om zich precies uit te drukken. Ze behelpen zich met rare parafrases of vage benaderingen. Ze rekenen erop dat hun luisteraars en lezers het voor de rest zelf maar uitzoeken. Dat is een zorgelijke ontwikkeling: allerlei interessante inzichten, creatieve ideeën en spannende opmerkingen komen nooit bij het publiek. Barnard heeft ook gelijk over de waarde van standaardtaal. Dialect, regionaal Nederlands en standaardtaal zijn in de dagelijkse omgang inderdaad niet uitwisselbaar. Zo wordt Standaardnederlands door de meeste mensen nog steeds geassocieerd met deskundigheid. Standaardtaal niet regionaal: je kunt er overal mee terecht. En het is een prima middel voor individuele sociale mobiliteit en ontwikkeling. Taalpolitici die jongeren het recht ontzeggen om goed Standaardnederlands te leren beheersen, schieten dus tekort: dat is voor Barnard en voor mij duidelijk.
En toch.
Lees verder...
Naar boven
Een verstrekkend nieuw spellingrapport van de Nederlandse Taalunie 10-10-2011
In Taalschrift Editie 82 – 10 oktober 2011 verschijnt een veelzeggend interview van lerarenopleider Jan T’Sas met projectleider Rik Schutz van de Taalunie over de gegevenheden van het rapport. Het gesprek geeft vanuit de geïnterviewde vrij overzichtelijk en adequaat de grote tendensen weer die in het rapport aan de orde worden gesteld.
De Taalunie heeft als taak de spelling van het Nederlands vast te leggen, maar het onderwijs is verantwoordelijk om te bepalen op welk niveau welke spellingkennis moet worden aangeleerd. Toch heeft de Nederlandse Taalunie bij het opvatten van het rapport zich voorgenomen om te onderzoeken of zij het onderwijs kan ondersteunen bij het aanleren van de vastgelegde spellingregels. Hoe ze dat kan doen is niet volkomen duidelijk geworden. Toch geeft het rapport conclusies en aanbevelingen die een uitgangspunt vormen voor verdere discussie en verkenning van de problematiek van de didactiek van het spellingonderwijs.
- Het interview in Taalschrift “Spellen ze echt slechter dan vroeger? Jan en nee” kun je hier raadplegen.
- Het volledige rapport van de Nederlandse Taalunie “ ‘Ze kunnen niet meer spellen’ Kan de Taalunie er wat aan doen?” is hier bereikbaar
Naar boven
Manifest voor het Nederlands in België - Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde -
24 september 2011
De taalsituatie in Vlaanderen is complex en gecompliceerd.
De meeste Vlamingen spreken anno 2011 dialect, tussentaal en/of standaardtaal.
Daar is op zich niets fout mee. Variëteiten en registers bestaan nu eenmaal. Ze verrijken onze taal. Binnen andere talen, grote en kleine, treffen we vergelijkbare verschillen aan.
Toch is het de overtuiging van de Academie dat anno 2011 in Vlaanderen één variëteit van het Nederlands steun kan gebruiken: die van de standaardtaal.
Die standaardtaal kan niet altijd meer rekenen op de steun en de zorg van de spraakmakende groepen die de verantwoordelijkheid hebben haar in de openbare ruimte uit te dragen.
Op het einde van de negentiende eeuw koos de Vlaamse beweging voor de standaardtaal zoals die in Nederland werd gesproken en geschreven. Ze had weinig andere keuze dan juist deze variëteit tegenover het dominante Frans naar voren te schuiven en te handhaven.
Pas in de jaren 1930 kwam met de radio en de vernederlandsing van het onderwijs in Vlaanderen de standaardisering echt op gang.
Alle Vlamingen hebben de laatste eeuw Nederlands geleerd als een taal die tegelijk ervaren werd als min of meer bekend en als min of meer vreemd.
Tot de jaren 1980 ongeveer was er consensus over de richting die de Vlaamse taalgemeenschap moest uitgaan: die van de standaardtaal, het Nederlands.
Nu is die consensus afgebrokkeld. De tolerantie tegenover andere variëteiten dan de standaardtaal is toegenomen.
Het uitzonderlijke van de taalsituatie in Vlaanderen bestaat er juist in dat die tolerantie sterker wordt in een omgeving van zwakke standaardisering. Het is immers pas sinds een tachtigtal jaar, een drietal generaties, dat de Vlamingen Standaardnederlands aan het verwerven zijn.
De Academie vraagt daarom aandacht voor de standaardtaal - het Nederlands zoals dat in België wordt gesproken en geschreven - en voor de meer formele registers, die hun rechtmatige plaats in de openbare ruimte moeten blijven behouden. De overheid, het onderwijs en de media spelen hierin een cruciale rol.
De Academie gelooft dat men een norm kan voorhouden zonder taalgebruikers te frustreren of kleineren. Meer nog, ze gelooft dat het voorhouden van een norm juist emanciperend kan werken. Dat geldt niet alleen voor Nederlandstaligen. Ook anderstaligen, onder wie onze Franstalige landgenoten, en nieuwkomers, aan wie we terecht vragen onze taal te leren, zijn gebaat bij een duidelijke norm.
Gent, 24 september 2011
Bron: http://www.kantl.be/nieuws.php?item=78
Naar boven
Een pijnlijke vaststelling, de verdringing van het Nederlands
Arno Schrauwers uit zijn teleurstelling bij zijn afscheid als voorzitter van de
Stichting Nederlands
Ergens tussen 14 april 2002 (sN-nieuwsbrief nr.8) en 16 januari 2003 (sN-nieuwsbrief nr. 9) ben ik
voorzitter geworden als opvolger van Wim Jansen, aanvankelijk als a.i., maar dat adjectief is er
gaandeweg vanaf gesleten. Nu juli 2011 houd ik het voor gezien. Dat betekent niet dat ik geen hart meer
heb voor de Nederlandse taal, maar dat ik tot de slotsom heb moeten komen dat ik er niet in geslaagd ben
het Nederlands als belangrijk thema op de Nederlands(talig)e kaart te zetten. Individueel zeggen
Nederlanders dat ze het bezit van de eigen taal op hoge prijs stellen, maar in de praktijk blijkt daar er
weinig van. Het Nederlands staat onder druk. Op steeds meer plaatsen moet het Nederlands wijken voor
het Engels. Dat gebeurt soms met toestemming van de controlerende macht, maar vaker nog door weg te
kijken. Het volk laat zich weinig horen.
Toen minister Ritzen in 1993 voor de tv verklaarde dat Engels een prominentere plaats aan de Nederlandse universiteiten zou moeten krijgen, brak er een storm van protest op. Hoe haalde die malle man het in zijn hoofd? Een Twentse hoogleraar besloot zelfs bij wijze van ongenoegen zijn college in het Frans te geven om de waanzin van Ritzens uitspraak aan te tonen. Er kwam, mede op initiatief van D66-prominent Aad Nuis (De Geweldige, volgens Jan Blokker, die Ritzen bestempelde als kwek) een taalclausule in de wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs, die bepaalde dat Nederlands de voertaal is aan de Nederlandse universiteiten. Ritzen mompelde dat hij verkeerd begrepen was.
Geenszins. Een kleine twintig jaar later is het Nederlands uit grote delen van de academische urriculae
verdreven en bestaat een hoogleraar in Nijmegen het een student te verbieden haar eindscriptie in het
Nederlands te schrijven (en daarin gelijk krijgt van de beroepscommissie van de universiteit). Op een brief
van de stichting Nederlands aan het ministerie van onderwijs, waarin zij stelt dat zulks in strijd is met de
taalclausule, antwoordt de plaatsvervangend secretaris-generaal van onderwijs dat de Radbouduniversiteit zich netjes aan de wet houdt. De wet kent uitzonderingen en de universiteit had keurig opgeschreven dat bij de bewuste eindtermen de eindscriptie in het Engels geschreven diende te worden. Niks aan de hand dus, oftewel hoe het ministerie de uitzondering de regel laat worden. Zonder blikken of blozen. Geen Kamerlid dat zich daar druk om heeft gemaakt.
In het kielzog van de universiteiten rukt ook het Engels op de middelbare scholen en op de basisscholen
op. Op honderden middelbare scholen in Nederland wordt in het Engels les gegeven. Een gesubsidieerde
organisatie, het Europees Platform, krijgt alle ruimte dat aantal nog verder op te voeren. Aanvankelijk
ging het alleen nog om vwo-opleidingen en kwamen alleen 'excellente leerlingen' daarvoor in aanmerking,
maar inmiddels zijn daar ook havo's en zelfs enkele vmbo's bij gekomen. Onlangs adviseerde de
Onderwijsraad, voor welk adviesorgaan de marginalisering van het Nederlands niet snel genoeg lijkt te
kunnen gaan, de minister om basisschoolleerlingen een eindtoets Engels af te nemen. Dat voorstel had de warme 'support' van de minister van onderwijs. Eerder had diezelfde Onderwijsraad aangeraden om al in de eerste groepen van de basisschool leerlingen les in het Engels te geven. Die vreemde raad kwam tot die conclusie na de constatering dat de kennis van vreemde talen in Nederland achteruit is gegaan. Vervolgens rolt daar dan een voorstel uit dat juist die taal voortrekt, die geen enkele moeite heeft zich in alle poriën van de Nederlandse samenleving te vestigen. De voorganger van de huidige minister vond dat een prima idee van de Onderwijsonraad.
Het eerdergenoemde Europees Platform beweert, gesubsidieerd, dat Engels als lestaal de ontwikkeling
van het Nederlands bij de tweetalig opgeleide middelbarescholieren niet in de weg zit. Dat is klinkklare
nonsens. Meer Engels betekent minder Nederlands. Vooral doordat universiteiten steeds meer op het
Engels overschakelen, dreigt er een elite te ontstaan die in het Engels is opgevoed en in het Engels denkt. De vergelijking met de franskiljons, verfranste Vlamingen, in België in de negentiende en twintigste eeuw dringt zich op. De nieuwe klasse van de angelskiljons zal geen bijdrage leveren aan het onderhouden van de eigen moerstaal. Het Nederlands dreigt daardoor intellectueel onthoofd te worden.
De taal is het gemeenschappelijk bezit van een volk en als dat volk de taal bij het grofvuil wenst te
zetten, wie ben ik dan dat volk op de vingers te tikken? Het proces van taalverdringing ziet er echter niet
uit als een bewuste beweging van fanatieke angelskiljons. Zelfs grote voorstanders van de verengelsing als D66-er Pechtold zegt het beste voor te hebben met het Nederlands.
Mantra
De overdaad aan Engels op de Nederlandse universiteiten (dan hebben we het niet eens op de volledig
Engelstalige university colleges) wordt beargumenteerd met de volslagen domme mantra dat "Engels nu
eenmaal de taal van de wetenschap is." Goed 150 jaar is Nederlands de taal geweest waarmee studenten
de wetenschap werd bijgebracht. In die periode hebben Nederlandse wetenschappers het er niet slecht
van af gebracht, ondanks hun 'handicap' van de Nederlandse taal. De grote Nederlandse wetenschappers
als Lorentz, Zeeman, De Vries en Van der Waals schreven hun proefschrift gewoon in het Nederlands. Het taalargument van de universiteitsbestuurders lijkt daarmee op zijn minst wankel. Het lijkt er eerder op
dat er meer Engels moest komen om bedrijfseconomische redenen (buitenlandse studenten brengen meer geld op dan Nederlandse). Uit de Kamer is nauwelijks enig protest te horen.
Taaltrots is de Nederlander vreemd. Dat riekt te veel naar nationalisme en bruine bewegingen. Taal is
echter een rijk bezit, waarvan de (ook economische) waarde nauwelijks is te meten. Het is vreemd dat
Nederlanders zo achteloos met hun taal omgaan en zich kennelijk nauwelijks bewust zijn van dat rijke
bezit. Ik wil Vlaanderen niet idealiseren, daar zijn de eerste angelskiljons ook al opgedoken, maar daar
vindt wél een serieuze discussie plaats over meer Engels op de universiteiten. Ook daar is er een sterke
pro(-Engels)beweging, maar die moet met de billen bloot, anders dan in Nederland, waar overtreding van
de wet wordt gedoogd en er hoegenaamd geen discussie heeft gewoed over de zin en, wat mij betreft
vooral, onzin van meer Engels in het Nederlandse onderwijs.
Er is, op instigatie van de ChristenUnie, een proces op gang gezet om Nederlands in de grondwet te
verankeren. Of dat proces nog vaart heeft valt moeilijk waar te nemen, maar het opnemen van een apart
regeltje in de grondwet zal de taalverdringing die plaatsvindt niet stuiten. Dat is aan de bezitters van de
taal, de Nederlandstaligen. De stichting Nederlands is ooit opgericht om de Nederlanders en Vlamingen
bewust te maken van wat er aan de gang is en ze aan te zetten tot verzet. Verzet tegen het
marginaliseren van de eigen taal. Ik heb niet de indruk dat de stichting daarin is geslaagd getuige ook de
grote stilte in de Kamer en de media na het taalverbod (het verbod van het gebruik van de eigen taal) dat
opgelegd werd aan een Nederlandse studente. Daar acht ik mezelf (mede)verantwoordelijk voor, vandaar
dat ik aftreed als voorzitter.
De stichting Nederlands was niet mijn idee. Er zijn genoeg organisaties die zich met taal
bemoeien/bezighouden vond ik, maar waar zijn ze? Waar is het genootschap Onze Taal, die zich met trots de grootste taalvereniging ter wereld noemt? Waar is de Taalunie, die constateert dat het Nederlands er nog nooit zo goed heeft voorgestaan als nu? Waar zijn de neerlandici, de professionele 'minnaars' van het Nederlands? Waar zijn al die protestanten als er weer eens met de spelling geknoeid worden (die ze
valselijk voor taal verslijten)? Ik hoor ze niet. Zie ik dan spoken? Ik zou het wel willen in dit geval, maar ik
vrees dat dat niet waar is. Nederlandstaligen let op uw taal. Het is een te kostbaar bezit om te
verkwanselen...
Arno Schrauwers bij zijn afscheid als voorzitter van de stichting Nederlands
http://www.stichtingnederlands.nl/afscheid.pdf
Naar boven
Taal in de klas.
Het Standaardnederlands in onderwijsleersituaties - prof. em. dr. Frans Daems
In de klas zijn er veel raakpunten tussen communicatie en instructie. Uit communicatie-oogpunt doen zich aan de leraar of docent verschillende vragen voor. Normalerwijze is het Standaardnederlands de taalvariëteit voor het onderwijs en we weten ook dat de marges van wat we als standaardtaal opvatten, verbreden. Wanneer we wensen dat leerlingen of studenten kennis van en vaardigheid in de standaardtaal verwerven, moeten we als leraar of docent zorgen voor een behoorlijk taalaanbod en oefenmogelijkheden in die taalvariëteit. Hoe gaan we er dan mee om wanneer leerlingen of studenten in de les spontaan een jongerentaalregister, tussentaal of dialect spreken en zich zo van de standaardtaal distantiëren? Hoe reageren we als anderstalige leerlingen of studenten met elkaar spontaan in een vreemde taal communiceren? Verbieden we dat of gebruiken we het als opstap naar versterking van hun Nederlands? In een bevraging onder 360 studenten lerarenopleiding bleek de grote meerderheid het oneens met de uitspraak “Allochtone leerlingen mogen tijdens groepswerk in hun eigen moedertaal overleggen” (Van den Branden & Verhelst, 2009, p. 113*). De onderzoekers registreerden soortgelijke opvattingen bij kleuterleidsters (o.c., p. 114). In het belang van leerlingen en studenten is het wenselijk dat een onderwijsinstelling een gezamenlijk coherent, consistent en genuanceerd standpunt inneemt. Zo’n genuanceerd standpunt houdt in dat de keuze voor een bepaalde variëteit functioneel bepaald wordt door de aard van de situatie. Dat betekent dat Standaardnederlands de voertaal is in alle onderwijsleersituaties, maar ook dat leerlingen of studenten evenzeer als leraren en docenten weten in welke situaties een andere taalvariëteit of taal functioneel zijn.
Prof. em. dr. Frans Daems
Elke leraar is taalleraar. Een referentiekader voor taalbeleid in de larenopleiding p. 16.
In: Naar taalkrachtige lerarenopleidingen. BOUWSTENEN VOOR TAALBELEID, Plantyn 2010.
* Van den Branden, K. & Verhelst, M. (2009). Naar een volwaardig talenbeleid. Omgaan met meertaligheid in het Vlaams onderwijs, in Jaspers, J. (red.), De klank van de stad. Stedelijke meertaligheid en interculturele communicatie, Leuven/Den Haag: Acco, 105-137.
Naar boven
Taalkundig manifest. Het Multiculturele Voordeel: Meertaligheid als Uitgangspunt
Nu de idee voor 'meertalig onderwijs' heel levendig aanwezig is bij de Vlaamse onderwijsminister Pascal Smet is het goed daarover eens grondig na te denken. Dat kan hier op basis van het Taalkundig Manifest dat terug te vinden is van in augustus 2008 op de website van de Rijksuniversiteit Groningen en dat opgesteld werd door vier eminente taalkundigen
- Hans Bennis, directeur Meertens Instituut, Amsterdam;
- Guus Extra, hoogleraar Taal en Minderheden, directeur van Babylon, Centrum voor Studies van Meertaligheid in de Multiculturele Samenleving, KUB, Tilburg;
- Pieter Muysken, hoogleraar Talen en Culturen van Latijns Amerika, Universiteit Leiden, en winnaar van de Spinozaprijs 1999;
-
Jacomine Nortier, Universiteit Utrecht; coördinator van het NWO-onderzoekprogramma Talen en Culturen in het Utrechtse Lombok en Transvaal.
Een kritische benadering van de tekst is wel gewenst.
We lichten vooraf een kernfragment uit de tekst waarin een uitgesproken andere taaldidactiek wordt bepleit in functie van de multiculturele klassen op school.
"Dit alles neemt niet weg dat er op dit moment sprake is van een te geringe beheersing van het Nederlands bij veel allochtone leerlingen. Daar moet iets aan gedaan worden. In het onderwijs moet er structurele aandacht zijn voor het feit dat grote groepen leerlingen niet het standaard Nederlands als eerste taal hebben. Er moet allereerst doelgericht onderwijs zijn voor allochtone leerlingen in de vorm van Nederlands als tweede taal. Dit is een expertise die specifieke scholing vereist. Op het gebied van de didactiek van het vak Nederlands als tweede taal in het basisonderwijs valt nog veel te verbeteren. Het onderwijs zou daarnaast in brede zin moeten uitgaan van een meertalige situatie. Het onderwijs in zaakvakken als aardrijkskunde en biologie zou zo georganiseerd moeten zijn dat het aansluit bij meertalige en multiculturele klassen, en niet alleen bij leerlingen die een (standaard-) Nederlandstalige achtergrond hebben. Dit vereist een interculturele didactiek voor de zaakvakken; leraren zullen moeten worden bijgeschoold om zich deze nieuwe benadering eigen te maken; de opleiding van docenten moet worden veranderd; nieuwe leermethoden zullen beter moeten worden geïmplementeerd of nog moeten worden ontwikkeld; de toetsing zal moeten worden aangepast. Al deze elementen vragen om een nationaal werkprogramma van de overheid."
De volledige tekst van het Taalkundig manifest kunt u hier lezen.
Naar boven
2011: het jaar van het juiste woord
-
pleidooi voor het gebruik van woorden in hun juiste betekenis en context in het Nederlands
Is het onwetendheid, domheid, kwade wil of gewoon gebrek aan zelfrespect? Wanneer je erop begint te letten stoot je bijna voortdurend op ergerlijke staaltjes van semantische verwarring die vrijwel onopgemerkt maar niet zonder gevolg je dag verkleuren. In een interview spreekt een manager over ‘de filosofie van zijn bedrijf’, alsof filosofie ook maar iets met de onderliggende, uiteraard winstgevende doelstellingen van die firma te maken zou hebben. In een bericht over het optreden van jonge vandalen wordt bijna altijd over ‘radicale jongeren’ gesproken, alsof hun ongecontroleerd extremisme en hun gratuite vernielzucht hetzelfde zouden zijn als een radicale opstelling die mensen de moed geeft, naar de wortels, radices, van een probleem te gaan. Radicalen proberen inderdaad het tij ten goede te keren en zullen hun strategie aanpassen aan de mate van repressie die de gevestigde machten uitoefenen om dat te verhinderen, terwijl extremisten, zoals de Israëlische auteur Amoz Oz terecht schreef, altijd wel een voorwendsel zullen vinden om geweld te plegen. Voorts verwart men bijna dagelijks, ook in zogenaamd intellectuele kringen, gelovige moslims met fanatieke islamisten, asielzoekers met profiteurs, en, zwart op wit, overtuigde Vlamingen met egoïstische etnische chauvinisten.
Wanneer studenten in het middelbaar of hoger onderwijs dergelijke blunders begaan, betalen ze daar de prijs voor. Wanneer hun professoren in boeken, artikels en opiniestukken gelijkaardige, ideologisch gekleurde fouten maken, verliezen ze geen punten. Hetzelfde geldt voor politici, opiniemakers, journalisten en tv-lolbroeken waarvan veel te velen zich regelmatig schuldig maken aan de verwaarlozing van de taal, waartegen Confucius al in zijn Analecta streng had gewaarschuwd: wanneer de woorden slordig worden gebruikt, verdwijnt op termijn ook het respect voor de wet en de cultuur en gaat een beschaving ten onder. Natuurlijk is een democratie onvermijdelijk zowat de vruchtbaarste grond voor het opschieten van al dit semantisch onkruid, maar juist omdát we deze vrijheid van meningsuiting, anders gezegd dit recht op het maken van vergissingen en het uitkramen van onzin, inclusief het beledigen van alle medeburgers zonder onderscheid zo hoog in ons vaandel voeren, moeten we meer dan ooit op onze tellen passen. Wat de vrije communicatie in een democratische samenleving betreft, is er geen hoger gezag dat over ons kan of mag waken, ‘ni dieu, ni césar, ni tribun’, en dat is een ongelooflijke vooruitgang op elk vorm van betutteling door om het even welke autoriteit. Ook de Vlaamse emancipatiebeweging heeft bewust daartoe bijgedragen. Wie dat ontkent, kent zijn geschiedenis niet of wil ze niet kennen. Het is echter een privilege dat we kunnen verliezen, indien we deze hard gewonnen vrijheid niet gebruiken om ons vertoog zo zuiver mogelijk te voeren. ‘Vlaenderen, let op u tael’: verdedig ze niet alleen tegen het Frans of Engels, maar op de eerste plaats tegen de semantische delinquenten in eigen huis.
Ludo Abicht* [Sprekershoek]
In Doorbraak, vrijmoedig maandblad – februari 2011 02 blz. 15.
* Ludo Abicht is een Vlaamse filosoof, publicist, dichter en activist
Naar boven
Afrikaans in Zuid-Afrika en de band met het Nederlands Wannie Carstens
Onder het motto Nederlands, wereldtaal vierde de Nederlandse Taalunie op 20 november 2010 haar dertigjarig jubileum. Prof. dr. Wannie Carstens van de Universiteit Noord-West van Potchefstroom was erbij en van die gelegenheid werd gebruik gemaakt om hem te interviewen over het Afrikaans, de band met het Nederlands en de positie van het Afrikaans binnen Zuid-Afrika.
In een filmpje op YouTube van zowat 6' minuten schetst hij een klaar beeld van de status van het Afrikaans.

Wannie Carstens over Afrikaans in Zuid-Afrika en de band met het Nederlands. Brussel, 17 november 2010.
Interview en film: Ben Salemans voor Taalschrift.
Naar boven
Taalschrift - Archief|Discussie

Tijdschrift over taal en taalbeleid
Wij leiden u via de volgende koppeling rechtstreeks naar de archiefpagina Discussie van Taalschrift.
U bereikt hier via doorverwijzing meer dan 70 discussieteksten vooral rond aspecten van het Nederlands, die in Taalschrift verschenen van 21 mei 2003 tot nu (juli 2010).
http://taalschrift.org/discussie/
Naar boven
Brasschaatse Gouden Erepenning toegekend aan prof. Jozef Devreese
Taal meer is dan een technisch middel tot communicatie
Publicatie: 11 juli 2010
Dr. Johan Ghoos - Voorzitter Davidsfonds Brasschaat
Op de Vlaamse feestdag werd de tweejaarlijkse Brasschaatse Gouden Erepenning toegekend aan prof. Jozef Devreese voor zijn culturele prestaties. De jury waardeerde zijn polyvalentie en belangenloze inzet op verschillende culturele gebieden.
Vooreerst is er zijn belangrijke bijdrage bij de realisatie van het Metzler-orgel in de O.L.V.-kathedraal van Antwerpen. Vervolgens voor het boek "Wonder en is gheen wonder" door J.T. Devreese over Simon Stevin dat hij tezamen met G. Vanden Berghe publiceerde en inmiddels in het Engels en in het Japans is vertaald.
En tenslotte vooral omwille van zijn strijd tot het bevorderen van het Nederlands als basisonderwijstaal voor het hoger onderwijs en het gebruik van het Engels als onmisbare werktaal van de wetenschap. Indien een wetenschapper van zijn formaat dit bepleit, is het gewicht des te groter.
Terecht stelt prof. J. Devreese dat de kwaliteit van de wetenschap primeert en de taal meer is dan een technisch middel tot communicatie, want diep verweven met de identiteit, het denken en de cultuur van de mens.
Prof. em. dr. Jozef Devreese is lid van de Werkgroep Taal en Onderwijs van het VVA.
Naar boven
Leerlijnen in de lerarenopleiding
Leren in het platte vlak: taalonderwijs van punten langs lijnen naar ruimte... Kees de Glopper:
klik hier
Hoe Hilde Van den Bossche in haar lerarenopleiding leerlijnen ontwikkelt voor grammatica als deel van taalbeschouwing e.a.
Haar voordracht op een didactische lenteconferentie: klik hier
Naar boven
◊ Spreek Frans, Joëlle
Elio Di Rupo? Het is waar, de man zijn kennis van het Nederlands is belabberd en te vrezen valt dat daar geen verandering in komen zal. Daar steekt geen kwade wil achter, Di Rupo heeft wellicht gewoon het talent niet voor die taal. Uiteraard zou het handiger zijn indien drietaligheid de norm was in dit land, uw en mijn en ieders intellectuele horizont zou er aanzienlijk mee verbreden op de koop toe (al zegt iets me dat zulks de zorg is van weinigen). Maar, en ik hoor dat zo zelden, het hebben van een talenknobbel lijkt mij in de politiek ondergeschikt aan het bezit van politieke inhoud en vakbekwaamheid. Ik waardeer de moeite voor het Nederlands van Joëlle Milquet en Laurette Onkelinx enorm, echt waar, maar eigenlijk heb ik liever dat ze Frans spreken. Omdat ze in die taal nuanceringen weten te leggen. Politiek is een te ernstige aangelegenheid om er zich matig in uit te drukken.
Dimitri Verhulst
31-5-2010
Omhoog
◊"De toekomst van het Nederlands als wetenschapstaal. Themabijeenkomst van de Afdeling Letterkunde van maandag 9 mei 1994" boekpublicatie Kon. Ned. Ac. van Wetenschappen op het internet beschikbaar
Een oudere publicatie kan een verbazend gehalte aan inhoud hebben en daardoor actueel blijven.
Met die idee vestigen wij uw aandacht op deze publicatie.
Thijmen Koopmans is de redacteur.
De digitale bibliotheek der Nederlandse letteren (dbnl) maakt het boek in 2009 op het internet toegankelijk. Klik hier
Overzicht van de inhoud:
- W.P. Gerritsen Inleiding
- E.H. Kossmann Het probleem in de historische wetenschappen
- H.W. von der Dunk Het probleem in de historische wetenschappen Commentaar op E.H. Kossmann
- C.J.M. Schuyt De problematiek in de gamma-wetenschappen
- J. Breman De problematiek in de gamma-wetenschappen Commentaar op C.J.M. Schuyt
- J.J.M. Beenakker De situatie in de beta-wetenschappen
- K. Bakker De situatie in de beta-wetenschappen Commentaar op J.J.M. Beenakker
- M.V. Storme De visie van een Belgisch jurist
- J.M. Polak De visie van een jurist Commentaar op M.V. Storme
- H. Steinmetz Het perspectief vanuit het buitenland
- H.W. Bodewitz Het perspectief vanuit het buitenland Commentaar op H. Steinmetz
- T. Koopmans Samenvatting
Omhoog
◊ Taal in de Vlaamse medische wereld - Dr. Karel Seghers in Periodiek juli 2009
Taal in het algemeen
Taal is het belangrijkste communicatiemiddel tussen personen en groepen, b.v. bevolkingsgroepen, zo heeft elk volk of elke groep van volkeren zijn taal, zijn eigen taal, wij Vlamingen, Zuid-Nederlanders, het Nederlands.
Opdat een taal haar rol zou kunnen spelen moet zij in de eerste plaats duidelijk zijn. Dat hangt van verscheidene factoren af: het woord, de zin, de uitspraak/schrijfwijze.
Het woord moet wel omschreven begrippen dekken, zo niet komt men tot misverstanden, denken wij b.v. aan het woord “aardig” in Noord en Zuid.
Daarenboven dienen de woorden te worden geplaatst in begrijpbare, logisch opgebouwde zinnen; dit vraagt zeker voor de gesproken taal gewoonte, oefening beginnend op school, nog beter thuis (met de paplepel !!!!!).
In duidelijk taalgebruik speelt juiste, uniforme terminologie een belangrijke rol ; hier komen wij op terug wanneer wij het hebben over de medische wereld.
Van het grootste belang is de uitspraak; de invloed van het dialect is hier belangrijk en dat is begrijpelijk, kan zelfs verrijkend zijn: luister maar eens naar Maastrichtenaars onder elkaar, zuiver dialect, en de Maastrichtenaars met een “vreemde”, wat een keurig Nederlands. Maar in Vlaanderen speelt de verkavelingstaal, noch vis noch vlees, een belangrijke, ongunstige rol.
Taal moet niet alleen duidelijk zijn maar ook verzorgd. Elke aangesprokene mag dit verwachten, het is een vorm van beleefdheid tegenover de andere. Maar het is ook een natuurlijke vorm van zin voor eigenwaarde. Dit laatste begrip staat de laatste decennia onder druk; een zekere slordigheid uit zich in alle aspecten van de samenleving, ook in de taal: in het zuiden uit dit zich in de slordige, stijlloze verkavelingstaal, in het noorden in de inslag van de gangbare dialecten van de randstad Holland (of gewoon slordige taal).
Stijlvolle taal getuigt van cultuur, meer dan een net pak en gepoetste schoenen. Reeds tussen de twee wereldoorlogen werd gedroomd van en gedacht aan de Vlaamse gentleman, die keurig Nederlands spreekt, voor een gedeelte ingegeven door de gedachte in te gaan tegen de toenmalige en nog bestaande gedachte dat Frans spreken, zelfs Brussels Frans, van stijl getuigt. De Vlaming meent veelal dat hij een verzorgde taal zo maar uit zijn mouw kan schudden, wanneer hij het wil en nodig heeft: dat is een grote vergissing. Beschaafde taal is een dagelijkse opgave en gewoonte, ik zou bijna zeggen oefening, en dat in de meest verschillende omstandigheden en met personen van de verschillende lagen in de maatschappij.
Om dat doel te bereiken is niet alleen wil nodig, maar ook strategie, en heeft men best ook een voorbeeld. Tot het begin van de zestiende eeuw werd het Nederlands gevormd door het graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant; illustratief is de grote invloed van deze twee gewesten bij het opstellen van de Dordtse statenbijbel. Met de scheiding der Nederlanden is de invloed van het zuiden teloorgegaan en hebben wij de vroegere plaats nog niet heroverd. Wij dienen te aanvaarden dat sedertdien de evolutie van het Nederlands in het noorden wordt bepaald; door dat in te zien en onze mogelijkheden te gebruiken, kunnen wij langzaamaan weer invloed verwerven; een gebrekkige is geen voorbeeld voor een lange afstandsloper.
Taal in de Vlaamse medische wereld
Om dit punt op de juiste manier te belichten is een korte geschiedkundige uiteenzetting gewenst.
Lees verder
Omhoog
◊Interview met de taaladviseur van de VRT en hoofdredacteur van Van Dale Ruud Hendrickx

'Stop met klagen! Het gaat prima met onze taal'
© Ivan Put
'Mensen die klagen over taalverloedering, zijn geen echte taalliefhebbers', zegt Ruud Hendrickx ferm. Toch weten de kankeraars hem altijd wel te vinden. Behalve taaladviseur van de VRT is Hendrickx nu ook hoofdredacteur van de Dikke Van Dale.
Ruud Hendrickx laat de woorden verzorgd zijn mond uitglijden. Om zijn lippen hangt een schelmse grijns. 'Ik kan nergens komen of het gaat over taal. Meer zelfs: ik kan mijn kop niet laten zien of er wordt geklaagd over taal. Op den duur is dat vervelend, jazeker wel. Want er is toch meer in het leven dan taal alleen.' Hendrickx leunt diep achterover. Hij zet zijn blik op 'geslagen hond' en hij zucht. Al heeft hij al dat taalgekeuvel wel zelf gezocht natuurlijk.
Al meer dan tien jaar is Ruud Hendrickx taaladviseur bij de VRT. Al meer dan tien jaar spreekt hij journalisten en presentatoren erop aan als ze het Nederlands in de ether geweld aan doen. 'En neen, dat voelt niet aan alsof ik als een schoolmeester met mijn opgeheven vingertje sta te zwaaien. Ik doe aan kwaliteitsbewaking. De VRT heeft aan de overheid beloofd om zijn taal te verzorgen in zijn programma's en ons product moet op peil blijven. (trots) De VRT is trouwens de enige omroep in Europa die een taalbewaker in dienst heeft.'
Het gevolg van Hendrickx' nobele streven is wel dat 'taalliefhebbers' vlot de weg vinden naar zijn e-mailadres. De mailbox van de taalman puilt uit van de berichten van verongelijkte kijkers en luisteraars. Over Engelse leenwoorden in het journaal. Over de 'slordige' uitspraak van de radio- en televisiepresentatoren. Over dialectwoorden en foute zinsconstructies in talkshows. Over de 'botjes' van Peter Van de Veire en de 'straffe madammen' van Yasmine in Zo is er maar één. Kortom: over taalverloedering bij de openbare omroep.
'De mensen die zich daarmee bezighouden, zijn geen echte taalliefhebbers', zegt Hendrickx droog. 'Een echte taalliefhebber bekijkt zijn taal met liefde. Die zegt: “Goh, wat zit dat toch allemaal mooi in elkaar,. Die accepteert dat er verschillende soorten Nederlands zijn en dat die allemaal recht van bestaan hebben. Echte taalliefhebbers focussen niet op wat er misgaat, want er gaat ook zoveel goed met taal. Liefhebbers van schilderijen lopen toch ook niet de hele tijd te sakkeren in het museum. Neen, die gaan rustig voor een schilderij staan en laten het op zich in werken. Ze genieten ervan.'
U lijkt zich op te winden. Ergert u zich aan die klachten?
'Vaak wel, want die klagers hebben het zelden bij het rechte eind. Ze gaan uit van hun eigen idee van hoe een taal moet klinken. Als ze merken dat andere taalgebruikers anders met de taal omgaan, plaatsen ze hun stempel: taalverloedering! Niemand noemt het een verbetering, het is altijd taalverloedering. Maar taal is dynamisch, ze is in beweging en verandert. Wat zouden mensen die honderden jaren geleden Nederlands spraken, vinden van ons Nederlands? Dat is pure verloedering vanuit hun standpunt. Daarom mijn oproep aan al die zogenaamde taalliefhebbers: hou op met al dat geklaag! Het gaat prima met onze taal! We spreken nog altijd Nederlands en dat zal de komende vier-, vijfhonderd jaar niet veranderen. En bovendien: bij de VRT heb ik het voor het zeggen als het over taal gaat.'
Dat klopt, en de nieuwslezers en presentatoren van de openbare omroep moeten de standaardtaal gebruiken. Dat staat zo in het taalcharter van de VRT dat u hebt opgesteld. Waarom bent u zo streng in eigen huis?
'De standaardtaal is het enige register van het Nederlands dat geschikt is om voor een zo groot mogelijk publiek te gebruiken zonder dat je de aandacht naar de taal trekt in plaats van naar de inhoud. Standaardtaal is het neutraalste. Gebruik je iets anders, dan zal eerder je taalgebruik opvallen dan wat je aan het zeggen bent. En dat moet je vermijden. Uit het onderzoek dat wij hier doen, blijkt elke keer dat nieuwslezers en presentatoren pas vertrouwen uitstralen als ze standaardtaal spreken. Als ze dat niet doen, geloven kijkers en luisteraars hen niet.'
Zijn de normen toch niet een beetje aan het verschuiven? Iemand als Peter Van de Veire gebruikt toch woorden uit de tussentaal in zijn programma's?
'Je moet een belangrijk onderscheid maken: gebruikt iemand niet-standaardtalige elementen omdat hij niet beter weet of gebruikt hij die bewust. Als je het eerste doet, is er een probleem. In het tweede zie ik geen graten. Ik weet dat Peter Van de Veire heel intensief met zijn taal bezig is. Als hij vindt dat hij het woord 'botjes' moet gebruiken in plaats van 'laarsjes', heeft hij daar een reden voor. Dan begrijp ik dat. Als hij 'bottekes' zegt omdat hij niet beter weet, is dat iets heel anders. Of neem Yasmine. Als ze Zo is er maar één presenteert, doet ze dat meestal in zeer verzorgde standaardtaal. Maar ze laat soms met een hele vette knipoog, recht in de camera, haar taalniveau zakken. Ze doet dat zeer bewust, ze speelt met de taal. Dat is helemaal wat anders dan dat je alles in tussentaal zou presenteren.'
U hebt deze maand een bijdrage geschreven voor Ons Erfdeel. Daarin lees ik: 'Laat jongeren gerust tussentaal spreken.' Pardon?
'Van mij mogen jongeren zoveel tussentaal gebruiken als ze willen. Als ze maar - en dat is belangrijk - op school ook standaardtaal leren. Het heeft geen zin om tegen tussentaal tekeer te gaan. Tussentaal roei je niet uit, ertegen vechten is pure negatieve energie. Jongeren zijn daar ook veel coulanter in dan ouderen. De generaties komen wat dat betreft meer en meer tegenover elkaar te staan. De oudere Vlamingen, die soms nog hebben moeten vechten om hun taal te mogen spreken, vinden het heel erg dat de standaardtaal verdedigd moet worden. Terwijl jongeren zeggen: “Ach, laat maar waaien,. Voor hen is het Nederlands een vanzelfsprekendheid en dus gaan ze er slordiger mee om. Maar laat jongeren maar tussentaal spreken onder elkaar, laat ze sms'en en chatten in wat voor Nederlands dan ook, als ze ook nog maar standaardtaal kennen. Ik denk trouwens wel dat er ook bij de jongeren weer een tegenbeweging zal komen. Dat zij - of hun kinderen - op een bepaald moment toch weer nood zullen krijgen aan meer standaardtaal.'
Gaat de beheersing van de standaardtaal bij jongeren erop achteruit?
'Het hangt ervan af hoe je dat bekijkt. Het slaagpercentage van onze stemtest bij de VRT zakt nog altijd. Daaraan merken we dat de uitspraak van jongeren erop achteruitgaat. Blijkbaar vinden ze dat zelf niet zo belangrijk en leren ze het ook niet meer op school. Anderzijds schrijven jongeren nu veel beter. Hoe ze dingen verwoorden... dat is stukken beter dan vroeger. Jongeren voelen zich duidelijk meer vertrouwd met standaardtaal. Ze zijn creatiever en minder krampachtig met taal en de meesten schrijven hele prettige stukken. Maar de spreektaal, ja, die wordt heel informeel.'
Als jongeren massaal de uitspraak niet meer zo belangrijk vinden, moet er bij de VRT misschien meer ruimte komen voor verschillende accenten. Taalverandering hou je niet tegen, zegt u zelf.
'Dat zou kunnen. Niemand kan voorspellen hoe het Nederlands over vijftig jaar zal klinken.'
Bent u dan niet bang dat u iedereen zult moeten ondertitelen? Nederlanders krijgen nu al haast standaard ondertiteling op hun buik.
'Misschien net niet, omdat we het dan meer gewend zijn al die accenten te horen. In de ons omringende landen wordt toch ook niet ondertiteld?'
Waarom doet de VRT het dan?
'Dat vraag ik me soms ook af.'
Van u mogen jongeren tussentaal spreken, als ze ook maar de standaardtaal kennen. Uw collega taalexpert Joop van der Horst schreef in 'De Groene Amsterdammer' dat de standaardtaal te moeilijk is en dat we niet van iedereen een goede taalbeheersing kunnen verwachten. Net zoals niet iedereen 'minister, chirurg, laborante of damkampioen' kan worden.
'Dat is zo. Je kunt je ook afvragen of het wel nodig is dat iedereen standaardtaal kent. Zogenaamde taalliefhebbers maken die fout ook altijd. Ze verwachten dat iedereen dat kleine stukje superverzorgd Nederlands beheerst. Maar dat is niet voor iedereen bereikbaar en dat is ook niet nodig, vind ik. Als nooit van jou wordt verwacht dat je een traktaat schrijft, waarom zou je dan die hele woordenschat beheersen om traktaten te schrijven? Veel mensen hebben nooit de kans gekregen om standaardtaal te leren. Ik vind het denigrerend om mensen daarom te veroordelen.'
Verwacht u van de dokter of advocaat dat hij standaardtaal tegen u spreekt?
'Dat is iets anders, dat is een zaak van elementaire beleefdheid. Als ik standaardtaal spreek tegen iemand in de openbare ruimte, verwacht ik een antwoord in correct Nederlands. Misschien is dat een dada van mij en een puur emotionele reactie, maar ik ben de klant. Ik vind niet dat ze altijd standaardtaal moeten spreken, maar wel als ze het tegen mij hebben. Laatst was ik in een winkel in Brugge en de dame aan de overkant weigerde Nederlands tegen mij te praten. Ze bleef doorgaan in het Brugs. Dat kan niet, ik verstond haar gewoon niet.'
Misschien heeft die vrouw geen talent om standaardtaal te leren?
'Ze sprak wel Engels en dus moet ze ook standaardtaal kennen. Als je Engels kunt spreken tegen mij, kun je ook Nederlands spreken. Dat hoeft niet perfect te zijn, maar de beleefdheid vereist dat.'
Sinds deze maand bent u behalve taalbewaker van de VRT ook de Vlaamse hoofdredacteur van Van Dale. Wat gaat u doen bij Van Dale?
(Hendrickx glundert) 'De Van Dale maken! Zo simpel is het.'
En wat houdt dat in?
'Een hoofdredacteur bepaalt wat er in het woordenboek komt: de woorden die worden opgenomen, de woorden die eruit moeten, wat er over die woorden gezegd wordt. Ik heb al een lijstje klaar van Vlaamse woorden die ontbreken. Op den duur ontwikkel je daar een zesde zintuig voor. Ik herken ze meteen. Dan denk ik bij mezelf: “Hmm, ik moet toch eens checken of dat wel in Van Dale staat., En dan zoek ik dat op en meestal staat het er niet in.'
Hendrickx zet zijn computer aan. Hij klikt naar een document waarin een reeks vergeten Vlaamse woorden staat. 'De idiootste woorden ontbreken. Pletwals bijvoorbeeld. In Nederland zeggen ze daar stoomwals tegen, al komt er vandaag niet veel stoom meer aan te pas. Onze strijdplaats bij de verkiezingen staat er niet in. Ook de foertstem ontbreekt. Net zoals de babyborrel, de btw-carrousel, de enkelband van de veroordeelde, de sperperiode, het relanceplan, de schrootpremie... Je ziet, voorbeelden genoeg!'
U gaat dus de Vlaamse belangen verdedigen bij Van Dale. Mooi zo.
'Verdedigen is een verkeerd woord. Onze belangen moeten niet verdedigd worden, want Van Dale is een verklarend woordenboek. Het noteert enkel welke woorden mensen gebruiken en gaat daarbij uit van een gelijkwaardige behandeling van alle soorten Nederlands. Alleen is er door feitelijke omstandigheden een achterstand in het Vlaamse materiaal. De redactie zit in Utrecht en heeft daardoor veel minder toegang tot Vlaamse bronnen. De Standaard kunnen ze boven de Moerdijk bijvoorbeeld wel lezen, maar ons reclameblaadje of lokale gemeenteblad niet. En dus staan woorden waar niets mis mee is er nog niet in, gewoon omdat ze nog niet 'ontdekt' zijn door de redactie van Van Dale. Van Dale beseft dat er een inhaalbeweging nodig is en daarom ben ik er nu.'
Bent u een machtig man, nu u (taal)baas bent van de VRT en van de Dikke Van Dale? U beslist als het ware hoe wij moeten spreken, of niet?
'Neen, want ik ben een beschrijver van de taal. In welke zin zou ik machtig zijn? Denk je dat heel veel mensen ineens hun taalgebruik omgooien omdat er in Van Dale iets staat of omdat de nieuwslezer van het journaal het anders zegt? Neen, ik maak geen wetten. Wat ik zeg, verschijnt niet in het Staatsblad. Je krijgt geen boete als je iets doet wat mij niet aanstaat op taalgebied.'
'Van Dale spreekt geen waardeoordeel uit. Hij zal nooit zeggen: “Dit of dat woord mag je niet gebruiken,. De tijd dat woordenboeken dat konden, is voorbij. Wat Van Dale doet, is zoveel mogelijk informatie aanreiken, zodat een taalgebruiker zelf kan beslissen. De Van Dale vermeldt bijvoorbeeld dat bepaalde woorden enkel in Vlaanderen gebruikt worden. Dan beslist de spreker zelf wat hij met die informatie doet.'
'De VRT is een normverspreider. Wij laten horen dat standaardtaal niet per se stadhuistaal hoeft te zijn, dat je ook een prettige, informele babbel in de standaardtaal kunt voeren. Dat is heel wat anders dan dat ik zou zeggen: “Dit mag je zo niet noemen, Vlaming,. Wat ik wel zeg als taalbewaker, is: 'Wij bij de VRT noemen dat niet zo, VRT'er'. Maar wie ben ik om de taal vast te leggen voor zes miljoen Vlamingen? Dat zou pas hautain zijn.'
D. I.
23 mei 2009
Omhoog
◊ Minderheidstale - verdwynende tale: Die gedagtes van 'n bittereinder - prof. dr. Ampie Coetzee
13-5-2009 (in het Afrikaans)
Dit is ons lot dat ons in dié tyd moet leef waarin ons geleidelik die inheemse tale van Suid-Afrika as onderwystale gaan sien sterf. Tale sterf; maar ons het nooit kon dink dat dit by ons sou gebeur nie.
Suid-Afrika is 'n meertalige land; maar meertaligheid beteken nie gelykheid van tale nie. Die Grondwet spesifiseer dat alle tale gelyk sal wees. Dis natuurlik onmoontlik in 'n land met elf tale; en dit moes van die begin af gesê gewees het. Tien van daardie tale is Afrika-tale, met Afrikaans as die taal met verlangs nog 'n Europese verbintenis – die ideale taal vir 'n nasie van Afrika en Europa, en sonder koloniale verbintenis. Maar ek wil nie Afrikaans verheerlik nie. Dis te laat. As tale nie gelyk kan wees nie, sou dit miskien die beste gewees het as die taal van die meerderheid die landstaal word, soos byvoorbeeld Zoeloe of Xhosa. Maar ons is gekoloniseer deur Brittanje, en waar kolonisering vanuit Europa gekom het, word die taal van die koloniseerder die sterkste taal; dan het dit niks met meerderheid of minderheid te doen nie.
Lees verder
Bron: LitNet SeminaarKamer - mei 2009
De beschreven toestand met de verengelsing in Zuid-Afrika van de universiteiten is in zekere mate en tot op zekere hoogte vergelijkbaar met wat zich in Nederland en Vlaanderen kan voordoen in het hoger onderwijs. De druk tot verengelsing van de Vlaamse universiteiten en hogescholen is bijzonder hoog.
Omhoog
◊ Onderzoek "Jongeren & de Nederlandse taal"
N.a.v. dit onderzoek schreef Linde van den Bosch, algemeen secretaris van de Taalunie de volgende tekst:
AAN DE JONGEREN ZAL HET NIET LIGGEN
Verloedert onze taal omdat jongeren geen moeite zouden willen doen om ze goed te beheersen? Geenszins, vindt LINDE VAN DEN BOSCH. Jongeren vinden 'goed Nederlands' wel belangrijk, maar alleen wanneer het ertoe doet.
Bijna alle jongeren in Nederland en Vlaanderen vinden het belangrijk om goed Nederlands te kunnen spreken en schrijven. Dat blijkt uit onderzoek. Verloedert onze taal omdat jongeren geen moeite zouden willen doen om ze goed te beheersen? Absoluut niet.
De Nederlandse taal is, zoals alle levende talen, voortdurend in beweging. En het gaat soms snel! Nogal wat volwassenen hebben de indruk dat het 'correct gebruik van de taal' dat ze twintig of meer jaar geleden hebben meegekregen op de lagere en middelbare school, stilzwijgend is afgeschaft. Destijds met veel moeite geleerde regeltjes over het gebruik van woorden en uitdrukkingen, lijken te zijn vervallen. Woorden die de leerkracht met rood onderstreepte, staan nu zonder gêne in het woordenboek.
Nogal gauw stelt men dat 'tegenwoordig alles mag' en dat je met deze mentaliteit geen taalbewuste jongeren kweekt. En intussen staat het Engels te dringen, zo is de algehele indruk, om het over te nemen op vrijwel elk gebied: dat van de wetenschap, het bedrijfsleven, maar net zo goed de ontspanning en de populaire cultuur. Daar moet de taal toch wel aan onderdoor gaan…
Heeft deze sombere visie enige grond onder de voeten? Om dat te weten hebben de Nationale Jeugdraad en het Vlaamse onderwijsblad Maks! samen met de Nederlandse Taalunie onderzocht of er bij jongeren inderdaad signalen zijn die wijzen op desinteresse, nonchalance, onkunde of op een negatieve houding tegenover correct taalgebruik. Daarvoor hebben ze een enquête uitgevoerd onder bijna tweeduizend Nederlandse en Vlaamse scholieren. De resultaten daarvan zijn op z'n zachtst gezegd belangwekkend.
Een overgrote meerderheid van de ondervraagden gaf aan het 'belangrijk' of 'heel belangrijk' te vinden om goed Nederlands te schrijven, zowel in een sollicitatiebrief, als in een tekst voor school of werk of een brief aan een bedrijf. Bijna iedereen vindt het even belangrijk om goed Nederlands te spreken tijdens een sollicitatiegesprek.
Onlogisch is dat niet. Dit soort geschriften en gesprekken dient om jezelf te verkopen en daarvoor zet je je beste beentje voor. Maar dat jongeren zich dit goed realiseren, is een signaal dat ze zich wel degelijk bewust zijn van de functies van taal. Ze tonen, misschien meer dan vorige generaties, het vermogen of op z'n minst de wil om hun taalgebruik aan te passen aan de omstandigheden. Dat wijst op een gevoel voor 'taalregisters'; verschillende stijlen of niveaus in het taalgebruik. Die kies je als je beseft dat een taal niet alleen dient om een boodschap over te brengen, maar ook om iets prijs te geven van jezelf als spreker.
Dat ze minder op hun taal letten tijdens een discussie op school of in een gesprek in een winkel, zou nog kunnen wijzen op gemakzucht. Maar vrijwel iedereen antwoordt dat er in het algemeen met volwassenen op een andere manier wordt gesproken dan met vrienden. Als het noodzakelijk is, willen jongeren dus goed spreken en schrijven, maar als het er minder toe doet, gaan ze soepeler om met taal.
Jongeren geven ook massaal aan dat ze wel degelijk goed Nederlands willen leren. Ze vertrouwen daarvoor op hun leraren, ze gebruiken woordenboeken en de spellingcontrole op hun computer, ze lezen om hun taal beter te leren beheersen en ze vinden het zelfs niet erg als ze door klasgenoten worden gecorrigeerd als ze iets verkeerd uitspreken.
Dat is een gezonde houding. Jongeren vinden taal belangrijk voor de manier waarop ze functioneren in de samenleving. Leerkrachten met een moderne visie zien het als hun taak daarop in te spelen en leerlingen te helpen die de verschillende taalregisters willen leren bespelen. Het opdringen van één vaststaand normbesef volstaat niet meer. De taalleerkracht moet de leerlingen helpen hun taalgehoor en taalgevoel te scherpen en ze leren om hun taal aan te passen, niet alleen aan de regels uit de boekjes, maar vooral aan de mensen en de omstandigheden waarin ze hun taal willen hanteren.
Linde van den Bosch - Nederlandse Taalunie
Dinsdag 28 april 2009
***
Het onderzoek ‘Jongeren & de Nederlandse taal’ is gehouden bij een betrouwbaar panel van 1783 Nederlandse én Vlaamse jongeren. Het is uitgevoerd door de Nationale Jeugdraad in samenwerking met de Nederlandse Taalunie en het jongerenblad Maks! van het tijdschrift Klasse. Het panel bestaat uit scholieren uit het voortgezet en beroepsonderwijs en geeft suggesties voor alternatief en beter beleid.
De onderzoeksresultaten van 'Jongeren & de Nederlandse taal' kan je downloaden via
http://www.jeugdraad.nl/jeugdraadpanel/
Omhoog
◊ Congres en debat Nederland - Vlaanderen over Nederlands in het hoger onderwijs
op 10 oktober 2008 in het Vlaams Parlement
Congres en debat Nederland – Vlaanderen 2008
10 oktober 2008, Vlaams Parlement
Nederlands in hoger onderwijs en wetenschap
een gezamenlijk project van de stichting Nederlands, de vereniging voor Nederlandstalige terminologie NL-TERM, het Algemeen Nederlands Verbond in Vlaanderen.
Tijdens het congres werd de Lofprijs 2007 van de stichting Nederlands uitgereikt aan de laureaat, de publicist Thomas von der Dunk
Beknopt verslag met samenvattingen van de sprekers
Openingszitting
De openingszitting werd voorgezeten door Arno Schauwers, voorzitter van de Stichting Nederlands. Hij gaf al vlug het woord aan mevrouw Monica van Kerrebroeck, CD&V, voorzitter van de Onderwijscommissie van het Vlaamse Parlement.
Enkele thema’s van haar toespraak. Zij verwijst naar het openbaar pleidooi van Vlaamse Minister Ceyssens voor meer colleges in het Engels. Zij verwijst daarbij naar het antwoord van onderwijsminister Frank Vandenbroucke. Essentieel in dat antwoord is dat elke Vlaamse jongere een Nederlandstalig diploma moet kunnen verwerven. Zij verwijst eveneens naar de adviezen aan de minister van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid en de Vlaamse Onderwijsraad. Zij haalt eveneens het algemene talenbeleid aan van de onderwijsminister.
Verder spiegelt zij voor dat er een evaluatie wordt voorzien van het taalgebruik in het hoger onderwijs. Volgens haar is dit congres meebepalend voor de beslissingen die in dat verband moeten worden genomen.
Inleiding tot het congres Dr. Yvo J.D. Peeters, ondervoorzitter ANV vzw
namens de organiserende verenigingen
Samenvatting
Terwijl in de derde wereld nog vele volkeren strijden voor onderwijs in eigen taal, verkwanselen de Nederlandse en Vlaamse politieke en academische overheden dit fundamentele mensenrecht.
Vanuit een mis begrepen internationalisme wordt sinds enige tijd een niet-aflatende campagne gevoerd ten voordele van het Engels. Vooral in Vlaanderen, dat amper iets meer dan een halve eeuw het recht op hoger onderwijs in de moedertaal heeft bevochten, zou men beter moeten weten.
Maar ook grotere taalgebieden zoals Italiaans, Duits en zelfs Frans lijden onder verengelsing.
Opleiding en navorsing in een andere, daarenboven dominante, taal leidt nochtans tot conceptuele verenging, terminologische verarming en bovenal tot impliciete overname van maatschappelijke denkbeelden uit de dominante taal.
De dominantie van het Engels is in essentie niet cultureel maar wel een factor van de economische en politieke dominantie van de Verenigde Staten op wereldvlak en een hoeksteen van onze gecommercialiseerde maatschappij. Het hele Bologna-proces is geen Europeanisering van ons onderwijs maar wel een Amerikanisering. Evenzeer werken programma’s als Erasmus, Socrates en Da Vinci de verengelsing van Europa in de hand, ook al is het formele doel een veeltalig Europa te bewerkstelligen.
Het is bijgevolg hoog tijd in dit verband een alternatieve strategie te ontwikkelen.
Stand van zaken
Voor dit gedeelte neemt prof. dr. Willy Martin het voorzitterschap waar. Hij geeft meteen het woord aan prof. em. dr. Jozef T. Devreese, die gedurende het toegestane kwartiertje spreektijd het Nederlands als onderwijs- en wetenschapstaal behandelt met een terugblik en een vooruitblik.
Aan de hand van treffende afbeeldingen in zijn powperpointpresentatie geeft hij een synoptisch overzicht van de evolutie van het Nederlands vanaf de eerste vindplaats van een Germaans woord in een Latijnse bron
(‘wad’ AD 107). Hij beklemtoont de betekenis voor de Nederlandse woordenschat van een Simon Stevin, die de meeste van zijn werken in het Nederlands publiceerde. Hij verwijst ook met fierheid naar de Nobelprijswinnaa r Corneel Heymans. Hij stelt dat de wetenschappen zich meertalig moeten ontwikkelen. Voor de huidige en de komende situatie zegt hij pertinent dat de huidige taalregeling van art. 91 van het structuurdecreet behouden moet blijven zowel voor de bachelors- als voor de mastersopleidingen. Die huidige tekst geeft een evenwichtige regeling aan tussen onderwijs in het Nederlands en onderwijs in een andere taal met het oog op internationalisering. Beleidsvoerders, raak nu niet aan die taalregeling.
Dr. Albert Oosterhof brengt verslag uit van zijn onderzoek “Engels voertaal aan onze universiteiten? Een invantaris voor de Culturele Commissie Vlaanderen-Nederland”
Samenvatting
Deze presentatie geeft een overzicht van de doelstellingen, werkwijze en resultaten van een enquête die in het voorjaar van 2007 in opdracht van de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland (CVN) werd uitgevoerd. De bedoeling was te inventariseren welk aandeel andere talen dan het Engels hebben in het onderwijs aan de Nederlandse en de Vlaamse universiteiten en wat de toekomstperspectieven zijn. In 2000/2001 voerde het secretariaat van CVN ook al een enquête uit bij de rectores magnifici van de universiteiten. Die CVN-werkwijze werd dus in 2007 herhaald om een indruk te krijgen van de evoluties die zich hebben voorgedaan wat betreft de onderwijstaal in het hoger onderwijs.
Ik geef op basis van enkele eerdere rapporten kort weer wat de achtergronden zijn van deze inventaris. Ik zal kort ingaan op de geldende wetgeving ten aanzien van de onderwijstaal in Vlaanderen en Nederland. In 2001 legde CVN contact met verschillende bewindslieden uit Vlaanderen en Nederland. Daarbij doet CVN enkele aanbevelingen, vooral over het gebruik van het Engels in het hoger onderwijs. De commissie stelt dat bacheloropleidingen volledig in het Nederlands zouden moeten verlopen, terwijl in de masters het aandeel van het Engels hooguit 20% mag zijn. De doelstelling van de inventaris in opdracht van CVN is na te gaan of recente ontwikkelingen in overeenstemming zijn met dergelijke aanbevelingen.
Verder wordt uiteengezet hoe de resultaten precies tot stand zijn gekomen. Een belangrijke opmerking is dat diensten die zich bezighouden met externe relaties en communicatie niet noodzakelijk een reëel beeld geven van het aandeel van het Engels. Het is daarbij ook mogelijk dat instellingen het aandeel van het Engels juist groter voorstellen dan het is, omdat ze een internationale uitstraling nastreven.
In de presentatie werd een samenvatting gegeven van de resultaten van de inventarisatie. De gegevens uit de enquête geven een beeld van de situatie in Vlaanderen tegenover Nederland, aan verschillende universiteiten. Aan de meeste Nederlandse universiteiten blijft het aandeel van het Engels in het bacheloronderwijs beperkt, maar wordt in de masterfase de helft of meer van het onderwijs in het Engels gegeven. Er is in Nederland over het algemeen sprake van een toename van het gebruik van het Engels. Aan Vlaamse universiteiten is het aandeel van het Engels echter beperkter.
Bij die stand van zaken voegt Jan Roukens van de stichting Nederlands zijn bevindingen
Samenvatting
Taalgebruik in het Europese hoger onderwijs en in de wetenschap
Het referaat put de kwantitatieve gegevens voornamelijk uit een recent gepubliceerde studie van de Academic Cooperation Association (ACA), een vereniging van universiteiten en hogescholen in Europa die zich mede ten doel heeft gesteld de internationalisering van het hoger onderwijs te ondersteunen. In dat kader werd de studie English-Taught Programmes in European Higher Education uitgevoerd, over de situatie in 2007. Een eerdere studie over 2002 maakte het mogelijk een zekere ontwikkeling aan te tonen.
Hoewel de ACA wordt beschouwd als een organisatie met een missie, en dus niet neutraal, maakt de studie over 2007 een betrouwbare indruk. Er is veel onderzocht en naar achtergronden gepeild, terwijl de onzekerheidsmarges inherent aan enquêtes zorgvuldig in kaart zijn gebracht. Dat maakt de studie waardevol, ook voor wie de overtuigingen van de ACA niet deelt.
Uit de studie blijkt dat Nederland ver voorop loopt in Europa wat de verengelsing van het hoger onderwijs betreft. Het absolute aantal Engelstalige programma’s in Nederland is bijna tweemaal zo groot als in het tweede land in absolute aantallen, Duitsland (774 tegenover 415). Niettemin is Duitsland vijfmaal zo groot als Nederland. België speelt in dit geweld een bescheiden rol en is een Europese middenmoter: 43 Engelstalige programma’s werden vastgesteld. De studie maakt geen onderscheid tussen Nederlandstalig en Franstalig België; aangenomen is dat de twee landsdelen wat dit betreft gelijk opgaan.
Het fenomeen van de vervanging van de nationale taal door Engels in het hoger onderwijs is overigens een verschijnsel dat veel meer voorkomt in het Noorden en Noordwesten van de EU dan elders. In midden-Europa komt het weinig voor, in de orde van enkele procenten, terwijl het in het Zuid-Europa bijna niet voorkomt. Niettemin lijken de discussies over het verschijnsel in het Zuiden het hevigst, terwijl er in Nederland nauwelijks over gesproken wordt. Tot dit congres.
De studie komt tot de conclusie dat het aanbieden van Engelstalige programma’s niet aantoonbaar bijdraagt tot een toename van buitenlandse studenten. Meer buitenlandse studenten is nu juist de reden waarom in Nederland – maar ook in Vlaanderen - herhaaldelijk wordt aangedrongen op een vergroting van het aanbod Engelstalige programma’s.
Interessant is dat de verengelsing gedreven wordt door de leiding van de onderwijsinstellingen (80% vóór), en dat studenten er lauw tot negatief tegenover staan (omstreeks 25% vóór). Dat contrasteert met de opvatting dat het de jongeren zijn die de moderniteit zoeken en dus………de Engelse taal.
Nederlands of Engels?
Prof. dr. Willy Clijsters zit dit laatste gedeelte van de ochtendzitting voor. Eerste spreker van het drietal is mevrouw dr. Diana Vinke. Zij brengt rond de thematiek van onderwijskwaliteit en voertaal verslag uit van haar doctoraal onderzoek in 1995 aan de Technische Hogeschool van Delft. Zij spreekt in dat verband over de “Kwaliteit van kennisoverdracht. Een vergelijkend onderzoek”.
Samenvatting
De centrale vraag van deze presentatie is of onderzoek naar het gebruik van Engels als instructietaal in het hoger onderwijs effect heeft op de onderwijskwaliteit en of de invoering van het Engels in onze universiteiten afhankelijk moet zijn van de resultaten van dergelijk onderzoek. Een onderzoek naar de ervaringen van docenten aan Nederlandse universiteiten wijst uit dat een meerderheid weinig of geen verschil ervaart tussen het verzorgen van onderwijs in het Nederlands en in het Engels. Wel treden er een aantal negatieve effecten op bij het Engels als voertaal: het voorbereiden kost hen meer tijd en bij het geven van colleges ervaren zij talige beperkingen, een groter (mentale) vermoeidheid, minder improvisatievermogen, minder tevredenheid over hun eigen onderwijs. Verder hechten ze meer belang aan goede doceervaardigheden (om talige beperkingen te compenseren). Uit observatieonderzoek naar (effectief) doceergedrag blijkt dat het gebruik van Engels als voertaal leidt tot een beperkte vermindering van redundantie, expressiviteit, helderheid, nauwkeurigheid, spreektempo (in 1 onderzoek) en ontlokken van verbale reacties bij leerlingen (1 onderzoek). Wel is effectief doceergedrag waarneembaar te verbeteren door training in een Engelstalige situatie. Deze training is het meest effectief in het begintraject, als een docent begint met het verzorgen van Engelstalig onderwijs. Onderzoek naar hoe studenten colleges ervaren wijst uit dat er voor hen geen consistente verschillen zijn tussen Nederlandstalige en Engelstalige colleges. In beide talen herkennen en ervaren ze effectief doceergedrag als zodanig. Wel ervaren ze in het Engels het ontbreken van dat gedrag als storend: het vermindert hun concentratie. Onderzoek naar wat studenten van colleges begrijpen, tenslotte, geeft aan dat Engels als instructietaal geen langetermijn effect heeft op de leerresultaten van studenten. In het begin is hun begrip wel minder, maar na gewenning verdwijnt dit effect. Het gebruik van Engels heeft mogelijk zelfs een positief effect op hun leerproces: studenten lijken meer kritische verwerkingsstrategieën te gebruiken.
Wat betekenen deze onderzoeksresultaten nu voor de onderwijskwaliteit? Dit is afhankelijk van de onderwijsopvatting die je hebt. Lange tijd lag de nadruk op onderwijs als kennisoverdracht van de docent naar de student. Uitgaande van deze stroming impliceert het gebruik van het Engels een vermindering van de onderwijskwaliteit. Recentere opvattingen beschouwen onderwijs als een actief proces aan de kant van de lerende: kennis ontstaat als de lerende die construeert. Uitgaande van deze stroming leidt het gebruik van het Engels niet tot vermindering van de onderwijskwaliteit.
Onderzoek naar de relatie tussen het Engels als voertaal en de kwaliteit van onderwijs geeft dus niet zonder meer uitsluitsel over de invoering van het Engels in onze universiteiten. Hiervoor zijn er andere, relevantere vragen te beantwoorden. De meest relevante vraag lijkt te zijn wat ‘de’ Nederlandse taal te winnen of te verliezen heeft als we het Engels of Nederlands gebruiken als onderwijs- en wetenschapstaal.
[- Wat is het effect van de voertaal Engels op de beheersing van de moedertaal?
- Wat is de invloed van de voertaal Engels op de ontwikkeling van de Nederlandse taal?
- Wat is de invloed van het Nederlands als voertaal en wetenschapstaal op de ontwikkeling van de Nederlandse taal (bij de gemiddelde gebruiker?
- Wat is het potentieel verlies van de Nederlandse taal bij het Engels als voertaal?]
Gebruikte onderzoeken Nederland:
-Huibregtse (2000). Effect en didactiek van tweetalig voortgezet onderwijs in Nederland. Utrecht: W.C.C. proefschrift.
- Jansen, E.P.W.A. et al. (2001). De relatie tussen onderwijsopzet en studieresultaat. ORD Proceedings, 28e Onderwijs Research Dagen, Universiteit van Amsterdam, SCO-Kohnstamm Instituut/ILO, pp. 263-265.
- Klaassen, R.G. (2001). Engels als voertaal. - ISBN 90-517-0568-9 (vervolgonderzoek na de scriptie van Vinke, A.A.)
- Vinke, A.A. (1995). English as the medium of instruction in Dutch engineering education. Delft: Delft University Press. ISBN 90-407-1168-2
Tweede spreker was prof. dr. Jaap van Marle.
Samenvatting
Verlies van taalbereik: culturele en sociale gevolgen op termijn
Hoe ernstig is het eigenlijk dat het Engels in opmars is (lijkt te zijn) als onderwijstaal? Zoals van een vraag als deze mag worden verwacht, is het antwoord niet zo maar duidelijk. Immers het antwoord is gekoppeld aan een aantal vooronderstellingen t.a.v. wat ‘standaardtalen’ eigenlijk zijn, respectievelijk zouden moeten zijn. Vooropgesteld dit, veel personen realiseren zich niet dat ‘standaardtalen’ – nationale talen is misschien wel een juistere benaming – veel jonger zijn dan veelal wordt aangenomen. Nationale talen zoals het Duits, het Engels, en het Nederlands zijn namelijk in hoge mate 19e-eeuwse uitvindingen, althans wanneer men onder een nationale taal een algemeen aanvaarde norm voor zowel mondeling als schriftelijk taalgebruik verstaat.
Kortom, wanneer wij spreken over nationale talen, dan hebben we het over een betrekkelijk recent fenomeen. Nu kan men de nationale talen koesteren omdat men ze als zeer waardevol ervaart, en daar is niets op tegen, maar eerlijkheid gebiedt te zeggen dat nationale talen veel minder monolithische entiteiten zijn dan men misschien wel zou verwachten. Nationale talen zijn met name aan veel meer verandering onderhevig dan velen zouden denken (en waarschijnlijk ook zouden willen). Wie ‘oude’ nieuwsprogramma’s – en onder ‘oud’ versta ik dan, de jaren ’60 – op de televisie terugziet, zal gefrappeerd zijn door de volstrekt andere normen die nog geen vijftig jaar geleden voor mondeling taalgebruik golden. Die programma’s kunnen eenvoudigweg tot geen andere conclusie leiden dan dat de grootschalige informalisering die onze samenleving zo grondig heeft veranderd, ook het Nederlands bepaald niet onberoerd heeft gelaten. In dit verband is vooral interessant te constateren dat de oorspronkelijke normen op grote schaal zijn losgelaten.
Hoe zit dat nu met de opmars van het Engels? Natuurlijk, juist door het loslaten van de normen krijgt het Engels een kans, het dringt gemakkelijker binnen dan in een tijd dat de nationale taal in hoge mate ‘maakbaar’ werd geacht (namelijk d.m.v. het onderwijs). En dat Engelse woorden en uitdrukkingen gemakkelijk binnendringen, is duidelijk. Heel iets anders is het verdringen van het Nederlands door het Engels in bepaalde domeinen, bijvoorbeeld het onderwijs. In potentie is dat een gevaarlijker ontwikkeling omdat dit laatste direct samenhangt met ‘het domein’ van het Nederlands, d.i. het geheel aan situaties waarbinnen het Nederlands wordt gehanteerd. Wanneer het enkel en alleen het academisch onderwijs zou betreffen, dan zou men hier misschien nog overheen kunnen stappen, wijzend op het feit dat onderzoek (het fundament van academisch onderwijs) nu eenmaal per definitie een internationale aangelegenheid is. Echter, de inktvlekwerking is in Nederland al duidelijk zichtbaar: het oprukken van tweetalig onderwijs in lagere en middelbare scholen, d.i. onderwijs waarin naast het Nederlands nog een andere taal als onderwijstaal fungeert (in de regel natuurlijk vrijwel steeds het Engels).
Ook al kan ook over deze ontwikkeling genuanceerd worden gedacht, het risico dat het Nederlands geleidelijk aan een tweederangs taal zou kunnen worden, is niet helemaal denkbeeldig. Momenteel staan de ‘klassieke’ nationale talen toch al onder druk, en het opgeven van bijvoorbeeld het Nederlands als onderwijstaal sluit daar in feite rechtstreeks bij aan. En ook omgekeerd, wanneer het Nederlands geen onderwijstaal meer zou zijn, dan neemt de status van het Nederlands verder af. Anders gezegd, wie met lede ogen het afnemend prestige van de nationale talen aanziet (niet slechts waarneembaar bij het Nederlands!), doet er verstandig aan om op dit punt waakzaam te zijn. Het risico is niet zo zeer dat het Nederlands zou verdwijnen, maar vooral dat het afzakt tot tweederangs taal.
Laatste spreker in dit rijtje van drie is prof. dr. Reiner Arntz, Universität Hildesheim.
Samenvatting
Moedertaal of vreemde taal: bekeken vanuit een ander taalgebied
Meer dan één cultuurtaal moet zich tegenwoordig verdedigen tegen een al te grote invloed van de lingua franca Engels. Dat betreft de status van die talen op nationaal en internationaal vlak, maar ook hun structuur, in het bijzonder hun woordenschat. Voortdurend dringen er immers nieuwe leenwoorden uit het Engels die talen binnen. – In deze tijden van globalisering betwijfelt niemand de noodzaak van een taal waarmee men zich overal ter wereld verstaanbaar kan maken, maar er moeten duidelijke grenzen zijn.
Ook in de communicatie tussen vakmensen mag die lingua franca niet de plaats innemen van de respectieve moedertalen, want dat zou voor alle cultuurtalen funest zijn, behalve voor de lingua franca zelf. Om te beginnen zouden de talen in kwestie in hoge mate aan prestige inboeten, zeker in domeinen van het weten die een hoog aanzien genieten. En nog erger zouden de gevolgen zijn voor de vakmensen die toevallig niet de lingua franca als moedertaal hebben. Het begrijpen van moeilijke verbanden en zeker het formuleren van nieuwe, originele gedachten lukt immers het best in de moedertaal.
Een oplossing voor het internationale talenprobleem kan er ook niet in bestaan dat men overal alleen nog de moedertaal en de lingua franca Engels leert. Op die manier bewust afzien van veeltaligheid – wat in sommige landen al gebeurt – leidt onvermijdelijk tot geringschatting van de andere cultuurtalen. Het effect daarvan is bovendien dat er vaak op een erg laag niveau gecommuniceerd wordt, doordat het Engels voor allebei de gesprekspartners een vreemde taal blijft.
In tegenstelling met zo’n mogelijke trend heeft de Europese Unie bewust voor het principe van de veeltaligheid gekozen. Sinds lang steunt ze het ontwikkelen van taalprogramma’s die het leren van minder verbreide talen moeten vergemakkelijken. En in dat kader speelt de ‘passieve meertaligheid’ een belangrijke rol: de gesprekspartners begrijpen elkaars taal, maar spreken allebei hun eigen taal.
Tegen deze achtergrond wordt de taalcursus "Kontrastsprache Niederländisch” voorgesteld, die de spreker samen met zijn collega prof. dr. Jos Wilmots van de Universiteit Hasselt heeft samengesteld en die in de afgelopen tien jaar met succes is uitgetest bij talrijke Duitse studenten. In deze methode, die intussen als boek is verschenen bij de Duitse uitgeverij Egert, staat de verwantschap en de vergelijking van beide talen centraal. Bovendien is de cursus modulair opgebouwd: eerst is de leesvaardigheid aan de orde, waarmee de leerder vlug opschiet, daarna pas komen de spreek en schrijfvaardigheid.
Een belangrijk streefdoel van deze opzet is het Nederlands als middelgrote Europese cultuurtaal meer bekendheid te geven en het gebruik van het Engels als lingua franca tussen sprekers van zo sterk verwante talen als het Duits en het Nederlands overbodig te maken. Dat laatste lukt echter alleen als een grote meerderheid van Nederlandstaligen zich bewust is van de waarde van hun moedertaal en zich actief inzet voor het gebruik van het Nederlands als taal van de wetenschap.
_____________
Voor de lunchpauze kreeg uit handen van Stichting Nederlands Voorzitter Arno Schrauwers Thomas van der Dunk de LOF-prijs 2007 van de stichting Nederlands.
Thomas was kandidaat voor de Lofprijs, omdat hij op 23 november 2007 in de Volkskrant een pittig en keurig artikel schreef over de vlucht van de Nederlandse 'elite' naar het Engels. Engels op de universiteit zet de Nederlandse studenten op afstand en sluit de elite af van de rest van Nederlands, aldus Von der Dunk in dat artikel.
Wat personalia over de gevierde publicist.
Thomas von der Dunk (1961) studeerde van 1979 tot 1988 aan de Universiteit van Amsterdam kunstgeschiedenis en archeologie (specialisatie: architectuur).
Was van 1989 tot 1993 als Assistent-in-opleiding verbonden aan de vakgroep geschiedenis in Leiden, waar hij op 10 maart 1994 promoveerde op 'Das deutsche Denkmal. Ein Abriss in Stein' (handelseditie 1999) over de politieke en ideologische aspecten van de monumentencultus in het Heilige Roomse Rijk van de veertiende tot de achttiende eeuw.
Van 1994 tot 2002 was hij als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de vakgroepen geschiedenis in Utrecht en Leiden. Sinds 2002 is hij gevestigd als zelfstandig publicist en politiek commentator.
Van zijn hand verschenen o.m. als cultuurhistorische studies: De schaduw van het Teutoburgerwoud (2000), Een Kathedraal voor Amsterdam (2003), Een Hollands Heiligdom (2007); als politieke bundels: Alleen op de Wereld (2001), Rusland en Europa (2003), Buiten is het koud en guur (2004). Hij dankte van harte en op een pittige, geestige wijze voor de hem toegekende prijs.
______________

|
De congresdeelnemers in De Schelp |
Nederlands als taal van onderwijs en wetenschap
De namiddagzitting werd geleid door lic. Ghislain J.J. Duchâteau. Hij verleende eerst het woord aan prof. dr. Joop van der Horst.
Samenvatting
Over de maakbaarheid van taal van hoger onderwijs en wetenschap
De maakbaarheid van taal, zowel op microniveau (taalverzorging) als op
macroniveau (taalpolitiek), is net als veel andere historische
gebeurtenissen slecht aantoonbaar. Hebben de inspanningen (het gewenste)
effect? Maar even moeilijk als het aantonen van de effecten is het
aantonen dat ze geen effect hebben. Ergo: het is in belangrijke mate een
geloof. Wel, er is niets tegen een geloof; maar het is meer dan
waarschijnlijk dat dit geloof zijn langste tijd gehad heeft.
De tweede spreker was Dr. Renata de Bies van de Universiteit Paramaribo. Zij sprak over het Nederlandstalig hoger onderwijs in Suriname.
Samenvatting

|
Renata de Bies en Reiner Arntz |
Notities met betrekking tot het Nederlands in Suriname, in het bijzonder het Nederlands als onderwijstaal.
Ondanks zijn dominante positie in de Surinaamse gemeenschap voert het Nederlands in Suriname anno 2008 nog steeds strijd, met name in het domein van het onderwijs om deze positie die het door strijd heeft verworven, te behouden.
De eerste strijd van het Nederlands is al gevoerd. Het doel ervan was een dominante positie te verwerven in de Surinaamse maatschappij. De strijd met het Nederlands als aanvaller werd voornamelijk gevoerd tegen het toenmalige Nengre (Negerengels) dat nu is uitgegroeid tot het Sranan. Deze is een hardnekkige, bewuste en openlijke strijd geweest, en het Nederlands is niet zonder kleerscheuren uit deze strijd gekomen. Het Nederlands kreeg een ander gezicht, een Surinaams gezicht en gaat nu door het leven als Surinaams-Nederlands, het natiolect van het Nederlands in Suriname. Dit Surinaamse gezicht van het Nederlands zorgt voor zijn behoud in Suriname, want het is dit Surinaams-Nederlands dat de veeltalige situatie in Suriname in evenwicht houdt en taalconflicten voorkomt.
De tweede strijd die het Nederlands in Suriname voert, nu dan wel als Surinaams-Nederlands, is een subtielere. Het Surinaams-Nederlands wordt op zeer onopvallende manier bevochten door het Engels, de taal van globalisering. Deze strijd kent echter ook momenten van openlijke aanvallen en externe factoren helpen een handje mee in het voordeel van het Engels.
Maar toch blijft het Nederlands (anno 2008) vooralsnog zijn positie behouden in Suriname.
Wie uiteindelijk deze strijd zal winnen is nog niet duidelijk, misschien zal de discussie na deze voordracht enig inzicht verschaffen in de toekomst van het Nederlands in Suriname, met name in het hoger onderwijs.
Deze voordracht is bedoeld om de discussie over de positie van het Nederlands in het Hoger Onderwijs op gang te brengen is in 2 delen verdeeld.
Deel I: Vernederlandsing van de Surinaamse Maatschappij (ongeveer 1876-1954). Strijd tegen het Nengre
In dit deel komen aan de orde:
Inleiding =. Korte bespreking stabiele veeltaligheid in Suriname. Elke taal heeft eigen functie.
Maatschappelijk leven door Sranantongo en Surinaams-Nederlands beheerst
1. Wat is SN ( korte geschiedenis Nederlands in Suriname, ontstaan SN, functies SN, rol SN, Norm Nederlands in Suriname
2. Nederlands in Surinaams Onderwijs. (vernederlandsing Suriname, strijd tegen Nengre)
a. Koloniale tijd (1876-1954) Geen hoger onderwijs. Nederlands enige instructietaal etnocentrische norm
b. Van autonoom deel tot onafhankelijke staat (1954-1980)
Wet hoger onderwijs : Universiteit dateert bijv. Van 1968. Instructietaal Nederlands. Terminologie in HO Nederlandstalig (bijv. Geneeskundige school ) Namen faculteiten in het Nederlands
Deel II: Subtiele verengelsing Surinaamse maatschappij
1. Subtiele verengelsing Surinaamse maatschappij, al ingezet voor 1975 Engelse invloed Lexicon SN bewijs (1975 Eerste kreten invoering Engels )
2. Taalbeleid en taalpolitiek Suriname is tweesporen beleid
1.Taalpoltiek ten gunste van het Engels
a. Jaarrede 2001 president bespreekt bevordering rol Engels
b. 2007/2008 invoering Engels als vak derde klas basisonderwijs piloot project MOP 2001- 2005 introductie Engels als tweede taal
c. Externe factoren bevordering Engels
1995 Suriname lid Caricom roep Engels als eerste of tweede taal groter
2007 Suriname lid CSME (Caribbean Single Market and Economy)
d. Interne factoren
Dilemma van het Nederlands (identiteit)
2. Taalpolitiek ten gunste van het Nederlands
2005 Suriname lid NTU. Nog steeds geen standaardisatie SN
3. Verengelsing Maatschappij inclusief Hoger Onderwijs
Media zelden of nooit ondertiteling op tv. Nieuws in het Engels op de radio;
Terminologie (namen studies en instituten en instructietaal HO
Prof. dr. Willy Martin, voorzitter NL-Term, trad nu op als spreker. Hij behandelde “Het Nederlands als vaktaal”
Samenvatting
Om te komen tot een antwoord op de vraag 'hoe staat het met het Nederlands als vaktaal?' is er een zevenstappenplan ontwikkeld. De zeven stappen zien eruit als volgt:
1. Taal bestaat bij de gratie van variatie
(maakt duidelijk dat er verschillende soorten taal zijn waarbij onder meer de meer algemene wordt 'gevoed' door de minder algemene)
2. Wat is vaktaal?
(definieert vaktaal door middel van haar inhoud en specifieke communicatieve situaties)
3. Wie is wie in vaktaal?
(gaat in op de verschillende communicatieve situaties die eigen zijn aan vaktaal; de figuren 1, 2 en 3 zijn daarbij van belang)
ALGEMENE
VAKTAAL TAAL
Fig. 1: Algemene Taal vs. Vaktaal
ALGEMENE
VAKTAAL TAAL
Fig. 2 Vaktaal vs. Algemene Taal
ALGEMENE
TAAL
VAKTAAL
Fig. 3 Vaktaal vs. Algemene Taal
4. Vaktaal en wetenschapstaal
(wetenschapstaal wordt gedefinieerd als wetenschappelijke vaktaal met een eigen problematiek bij de kennisoverdracht/communicatie)
5. Hoe belangrijk is vaktaal/wetenschapstaal voor moedertaal?
(wetenschapstaal is niet 'gans de (algemene) taal' maar staat er niet los van (zie fig. 1) en heeft een belangrijke impact op haar groei)
6. Hoe 'gans de wetenschap' is de taal?
(als die taal het Nederlands is, is haar rol bij vakinterne communicatie almaar beperkter geworden, wat niet noodzakelijk tot dramatische gevolgen hoeft te leiden zolang er voldoende ruimte is voor vakinterne – vakexterne communicatie)
7. Als u het mij vraagt...
(hierin worden een aantal aanbevelingen gedaan naar Overheid, Wetenschappers en hun Bestuurders toe met betrekking tot het hoger onderwijs, het meten van de resultaten van onderzoek, het populariseren van die resultaten, de aanleg van een databank 'Overheidsterminologie' en de bouw van een Vaktaalcorpus; deze aanbevelingen moeten leiden tot een optimale situatie anno 2008: een waarbij onze wetenschappers en internationaal 'meepraten' én er toch voldoende doorstroming blijft vanuit de wetenschappelijke vaktalen naar de algemene standaardtaal toe.)
Debat en conclusies - Een nieuw elan

Debat met een Forum en congresdeelnemers onder
voorzitterschap van Hugo Weckx, voormalig Vlaams minister van cultuur
Els Ruijsendaal, rapporteur, Benelux-universitair centrum
Forumdeelnemers:
- Renata de Bies, Anton de Kom universiteit Paramaribo
- Reiner Arntz, Universität Hildesheim
- Thomas von der Dunk, cultuurhistoricus en publicist, Amsterdam
- Dirk De Cock, lid Vlaams Parlement, VlaamsProgressieven
- Erik Meijer, lid Europarlement, fractieleider Socialistische Partij
Vooral de inbreng van de congresdeelnemers leverde heel wat denk- en gespreksstof op.
Opgemerkte tussenkomsten van Yvo Peeters en Eric Ponette
 |
Yvo Peeters |
| Eric Ponette |
 |
Els Ruijsendaal bracht tot slot een keurig, volledig en mooi ingekleurd verslag uit van de werkzaamheden van deze congresdag.
De inhoud van het congres wordt binnen een heel kort tijdbestek vastgelegd in een verslagboek, waaruit geput kan worden voor het verdere openbare debat over de positie van het Nederlands in het hoger onderwijs en wetenschap.
Het Ampzing Genootschap luisterde het congres op met kruimige liederen en muziek. Het maakte een schitterende reportage over het congres vanuit zijn eigen luchtige invalshoek. Aanbevolen is dat audiovisueel prestatiestukje te bekijken en te beluisteren. Je vindt het op de webstek van het Ampzing Genootschap.
Klik hier
Redactie en foto’s Ghislain Duchâteau
In april 2010 verscheen:

De congresbundel "Nederlands in hoger onderwijs & wetenschap?" - Congres 10 oktober 2008 Vlaams Parlement - Lees daarover op deze site op de pagina Teksten.
Wie zich de problematiek van het taalgebruik in het hoger onderwijs eigen wil maken, krijgt in deze publicatie alle informatie aangeboden die hij/zij zich maar kan wensen.
Omhoog
◊ De teleurgang van het Nederlands in Vlaanderen - Benno Barnard 15-10-2008

Tweewekelijks schrijft Benno Barnard over de wereld die hem dierbaar is, in de wetenschap dat het lijk van de moderniteit ons dreigt te verpletteren.
De teleurgang van het Nederlands in Vlaanderen
opgedragen aan Herman Jacobs
In Vlaanderen was de toestand vroeger deze: de burgerij sprak Frans, met wisselende hoeveelheden haar op ; flamingantische intellectuelen, schrijvers allereerst, drukten zich in een ietwat plechtstatig, met bladgoud overtogen Nederlands uit; en volksmensen spraken een diep dialect, dat voor bezettende troepen en de inwoners van een dorp drie boogscheuten verderop geheel abstruus bleef.
Na meer dan honderd jaar van Vlaamse emancipatie is de situatie als volgt geëvolueerd: bijna iedereen spreekt slecht Nederlands, zelfs menige schrijver; de kennis van het Frans is naar een haast Hollands niveau afgezakt; en de meeste dialecten zijn zieltogend, zo niet morsdood. De televisie moet iedere tweede Vlaming ondertitelen, wat niet echt op een massaal succes van de Vlaamse Beweging wijst, en al even verschrikkelijk is de ondertiteling van Nederlanders, ook als ze zeer beschaafd spreken.
De drie rampzaligste jaartallen in de Vlaamse geschiedenis zijn 1585, de Val van Antwerpen, 1830, het verjagen der Hollanders, en 1989, de stichting van de Vlaamse Televisiemaatschappij. Geert van Istendael zei dit onlangs en die heeft altijd gelijk. VTM is de doodsteek voor het beschaafde Nederlands; die louter op winstbejag gestoelde onderneming heeft de Vlaamse volksmens van ieder contact met het noorden beroofd, hem opgesloten in zijn parociale benepenheid en hem gestijfd in de gedachte dat wat hij zelf spreekt ook in de grote wereld een geschikte vorm van communicatie is. Die gewetenloze schoften van VTM hebben de Vlaamse emancipatie gesmoord in een drab van domheid en wantaal, waar ik aan toe moet voegen dat tegenwoordig ook een deel van de VRT zijn uiterste best doet om het volk zo achterlijk mogelijk te houden.
In de oude toestand, die ik als kind nog heb meegemaakt, leefden de meeste mensen in een creatief spanningsveld tussen een gaaf dialect - een taal zonder een leger en een vloot dus - en het algemeen Nederlands, de taal die als vehikel van de beschaving, de traditie en de wetenschap diende, en als dusdanig bezig was het Frans te vervangen; daarnaast leerde men de taal van Jacques Brel nog altijd op een peil dat vanuit het heden beschouwd niet goed meer valt voor te stellen.
Vlaanderen is dus alles kwijtgeraakt.
In die omstandigheden is het mogelijk geworden dat ook vertegenwoordigers van de elite met het dialect dwepen, een fenomeen dat nog wordt versterkt door de pandemische, uit frustratie en luiheid voortvloeiende afkeer van Nederland, die mij meer dan wat ook in dit land met droefheid vervult. Weliswaar moet dat dialect als Lazarus uit de dood herrijzen, maar het is volkseigen, nietwaar, het borrelt in de darmen van de Vlaming, het is zijn boer, zijn scheet, zijn lichaamseigen akoestiek. En zo komt het dat mensen links en rechts dialectlessen volgen. Daar zou ik niets op tegen hebben, gesteld dat iedereen goed Nederlands kende, maar op dit punt in de geschiedenis is het een rampzalige ontwikkeling.
En dus moeten anderstaligen in Brugge in het kader van hun integratie maar Brugse dialectlessen volgen; geen hond in die stad praat immers uit eigen beweging Nederlands. Het is inmiddels een beruchte casus, die de totale ineenstorting van de Vlaamse emancipatiebeweging symboliseert: een au fond reactionaire verheerlijking van de volkstaal, die uiteindelijk zal verhinderen dat mensen ooit nog tot de elite toetreden. Aldus zinkt dit gewest geheel in zijn eigen provinciale taalprut weg.
De slotsom is een paradox: vroeger onderdrukten de Franstaligen het Nederlands, wat een heilzaam effect bleek te hebben op het Nederlands; thans onderdrukken de Vlamingen zelf het Nederlands, wat fatale gevolgen blijkt te hebben. Nu nog een eigen republiek met Bokrijk als hoofdstad.
Benno Barnard
Bron: Knack blogt – 15 oktober 2008
Tijdelik kunt u de reacties lezen op Benno Barnards stukje: klik hier .
Uw webmaster kon het toch niet nalaten hier zijn eigen reactie aan toe te voegen.
Benno Bernard vergeet daarbij nog te vermelden dat de leiding van de universiteiten en hogescholen omwille van ongeldige en onaannemelijke redenen het Nederlands willen verkwanselen als instructietaal in het hoger onderwijs en het systematisch willen vervangen door een bepaalde soort Engels en dat tegen de wens van de grote meerderheid van de Vlaamse studenten in.
Het stukje van Benno Bernard is een diverterend stukje dat met veel snedigheid de reële taalsituatie in Vlaanderen aan de kaak stelt. Uiteraard overdrijft de schrijver schromelijk en dat ook in de titel. Het Nederlands in Vlaanderen wordt inderdaad aangetast van diverse kanten, maar het is springlevend als algemene gebruikstaal in het onderwijs en in het openbare leven. De degelijke kwaliteit van het Nederlands van de nieuwslezers op de officiële radio en televisie zijn daar een goed voorbeeld van. Het talenbeleid van de onderwijsminister moet sterk de beheersing van het Standaardnederlands in de scholen van laag tot hoog in de hand werken. Het nagenoeg veralgemeend gebruik van het Standaardnederlands in de dagelijkse omgang in het Oosten des lands in steden en gemeenten spreekt de tendens van Benno Bernard in zijn stukje tegen.
Laten we optimistisch blijven. Onze standaardtaal is hét communicatiemiddel bij uitstek om in heel Vlaanderen en op alle niveaus op een verfijnde en adequate manier met elkaar om te gaan.
G.D.
Omhoog
◊ Het einde van Nederlands - video
Een videofilm van 12'24" over taalverloedering, jongerentaal, spelling in Nederland
en nog meer...
Bekijk en beluister de video
Omhoog
◊ Haagse snor
'Ik verzet mij tegen de irrationele anglofilie. Men laat het uitschijnen alsof men zonder het Engels nergens meer komt.' (Alex Vanneste in De Standaard, 13 maart 2008)
Een oer-Hollands stel, de zestig ruim voorbij. Hij, rijzig en graatmager, draagt een zorgvuldig geborstelde snor met omhoogreikende punten. Dat moet ooit indruk hebben gemaakt. Vandaag lopen zulke snorren alleen nog met carnaval op straat, maar dat heeft hij nog niet in de gaten. Zij is klein en behulpzaam. Met een servetje springt ze overeind wanneer hij met een beverige hand een lepeltje ei naar zijn mond brengt. 'Kijk nou toch uit', fluistert ze en kijkt schielijk achterom naar het tafeltje waar de enige andere gast zit, ik.
Het Haagse pension probeert net zo gezellig te zijn als thuis. En dat lukt aardig, al hangen er aquarelletjes met paarden die galopperen door schuimende golven. De dame die het ontbijt verzorgt, is moederlijk. Ze kwakkelt naar de gasten en vraagt met een Hollands accent:
- Everything oké?
- Fine, thank you. But could we have some more toast? Not too hardly roastered, please.
- Sure.
Pension-Engels. Als er Britten aan het ontbijt hadden gezeten, met krullende tenen, dan zou je ze kunnen troosten met de gedachte dat hun taal allang niet meer van hen alleen was. Dat er buiten het Britse, het Amerikaanse en het Australische Engels ook nog een wereld-Engels is ontstaan. Of preciezer: duizenden uitheemse Engelsen. Zoals hier de versie van Den Haag.
Wat fijn dat onze taal dat geweld niet wordt aangedaan, kun je denken. Als al die buitenlanders niet alleen de uitspraak van onze moedertaal, maar ook onze grammatica en onze woordenschat nog eens naar hun hand en mond gaan zetten, dat kan ons kwetsbaar Nederlands niet hebben. Maar je kunt ook denken: het wordt dan wel een bastaardtaal, en bastaarden zijn sterk.
Waar ik me meer zorgen over maak: het gemak waarmee middenstanders in Nederland ervan uitgaan dat hun klanten Engelstalig zijn. In horecazaken zal het meer gebeuren dan bij slagers en bakkers, maar je krijgt vaak de indruk dat het Nederlands stilaan buiten de norm valt. En al helemaal als ze horen dat je een Belg bent. Dan durven ze je in 't Frans aanspreken. Of wat ze voor Frans houden.
Als het Nederlands ergens niet meer gebruikelijk is, is het er straks misschien niet meer welkom. Dat lijkt me voor de toekomst van onze taal een kwalijker evolutie dan de gewoonte om met Engelse woorden te strooien in een of ander jargon. Want het idee dat je in het Nederlands je brood niet meer kunt verdienen, dat is een zware hypotheek.
Zo ver zijn we nog niet, maar de signalen zijn al zichtbaar. Als zelfs een keurig krullende Haagse snor de verengelsing van pensionnetjes niet meer tegenhoudt.
Ludo Permentier
is verbonden aan de UGent en aan de Nederlandse Taalunie.
28-4-2008
Omhoog
◊ Ongelooflijk leuk, zeg maar ... naar arm Nederlands
Is de Nederlandse taal aan het verloederen?
Er is genoeg reden om te mopperen, dat zeker.
DOOR ROB VAN ERKELENS
Van de Nederlandse taal wordt meer gebruik gemaakt dan ooit, maar de kwaliteit neemt gestaag af. Mensen praten en praten en praten alsof hun leven ervan afhangt. Wat ze zeggen en hoe ze dat zeggen lijkt een stuk minder van belang dan het feit dat ze iets zeggen. Praten om het praten is niet goed voor de taal. Die wordt gebruikt als een wegwerpartikel, en niet als het prachtige, veelzijdige instrument dat ze is.
Foto Chris van Houts
Te oordelen naar de nieuwe woorden die de laatste jaren in het Nederlands zijn opgedoken gaat het niet heel erg goed met onze taal. In 2007 werd ‘Bokitoproof’ uitgeroepen tot woord van het jaar. Dat is pure armoede. Kwam Marten Toonder ooit met ‘denkraam’, en voegden Van Kooten en De Bie onder veel meer ‘doemdenken’ aan onze woordenschat toe – uitdrukkingen die staan voor een begrip dat tijdloos is en door iedereen wordt herkend – nu is dus ‘Bokitoproof’ de grootste aanwinst van vorig jaar. Treurig.
‘Bokitoproof’ slaat op een verblijfplaats van een aap in een dierentuin die tegen Bokito kan. Zoals een waterdicht horloge waterproof is, is een hok, of een kooi, waar Bokito niet uit kan ontsnappen Bokitoproof. Bokito is een grote aap die negatief in het nieuws kwam toen hij na aanhoudend getreiter van een infantiele bezoekster terecht over zijn hek klom en een ravage aanrichtte in de dierentuin waar hij woonde.
Dit is een nieuw woord dat we nooit meer zullen horen, aangezien het verbonden is aan één specifieke gebeurtenis, die zich niet meer zal herhalen. Dat ooit nog een aap iets dergelijks uithaalt is onwaarschijnlijk, en dat die dan ook nog Bokito heet nog meer. Een woord dat dus helemaal niets toevoegt aan de Nederlandse taal.
Zoals er maar weinig lijkt te worden toegevoegd aan de Nederlandse taal. Nieuwe woorden kunnen een verrijking zijn, maar in deze tijd bespeuren we vooral verarming van het Nederlands. Verschraling. Vermagering. Verloedering, wordt ook wel gezegd.
Er zijn redenen genoeg om te vrezen voor de kwaliteit van het Nederlands. Ga maar eens in de tram zitten. Met open oren. Of in een winkelstraat lopen. In de Hema. Je krijgt rillingen over je rug van wat je allemaal hoort.
‘Chantal, moet je kijken, wat leuk!’
‘O kind, dat is leuk!’
‘Ja, leuk zeg. Ongelooflijk leuk.’
‘Die vind ik eigenlijk minder leuk. Bij die heb ik zoiets van dat ik hem minder leuk vind, zeg maar.’
Communicatie heet dat. Er wordt veel gecommuniceerd, tegenwoordig. We hebben de middelen, en die zullen we gebruiken ook. Met de toename van het aantal mobiele telefoons is er een woekering van redundante communicatie ontstaan, die veelal meta-communicatie is. Telefoneren over het telefoneren. ‘Waar ben je nu? Je valt weg. Nee, jij.’
‘Hé met mij. Hoewissut? Oké. Ik dacht ik bel even dacht ik om te zeggen dat ik er bijna ben. Nog een minuutje of vijf zes fietsen. Ik had zoiets van dat ik me afvroeg hoe het nu met je was. Ik dacht aan je, zeg maar. Eigenlijk vond ik het wel te gek hoe we gisteren konden praten, weet je. Heel te gek. Dus daarom had ik iets van waarom heeft ze toch dat sombere gezicht op haar gezicht? Maar oké, daar moeten we maar over praten, denk ik persoonlijk. Ik heb je nog veel meer te vertellen, ook spannende dingen, zeg maar. Dat doe ik wel als ik bij je ben. Dat is over twee minuten maar ik dacht ik bel even dat ik eraan kom.’
Communiceren vindt heden ten dage plaats onder enorme druk. Tijdsdruk, aangezien de communicerende partijen altijd op weg zijn naar het een of ander, iets belangrijks dat gedaan of gezegd moet worden. Alle communicatie is vluchtige communicatie.
Op verschillende gebieden nemen we een verschraling van het Nederlands waar. In het dagelijkse taalgebruik is het overduidelijk dat er steeds minder woorden worden gebruikt om mededelingen te doen of vragen te stellen. Het gaat niet om hoe je het zegt, maar om wat je zegt. Zodat de ander je direct begrijpt.
Maar ook het geschreven Nederlands is aan het verarmen. Er zijn een paar gratis kranten bij gekomen, die door met name veel jongeren worden gelezen. Het niveau van die dagbladen is abominabel. Eén enorme opeenstapeling van clichés, stoplappen en platitudes. Verschrikkelijk lelijk Nederlands. Fantasieloos. En barstensvol fouten.
In Metro zegt een badmintonspeelster: ‘Ik neem behalve mijn raket ook mijn bikini mee naar het toernooi.’ In Spits sterft het van afgesleten woordcombinaties als ‘administratieve rompslomp’ en ‘nieuwe uitdaging’.
Maar ook NRC Handelsblad, toch altijd een ‘kwaliteitskrant’ genoemd, is steeds slordiger en nonchalanter aan het worden. In een stuk over Ajax en Johan Cruijff vinden we: ‘een geldige mandaat’, ‘hij vindt dat hij en een assistent van de hoofdcoach de verantwoording moeten krijgen voor de jeugdopleiding’. En: ‘Dit percentage neemt pas bij de A-junioren toe tot 85 procent.’
Er is genoeg om ons aan te storen. Je hoort het goed als je een oud Polygoon-journaal ziet, of een voetbalwedstrijd in zwart-wit. Het commentaar is een openbaring. Soms vallen er zelfs stiltes, wat een weelde. Of draai een sprookjesplaat van ‘vroeger’, dat is dertig jaar geleden, met de stemmen van Hetty Blok, Ton van Duijnhoven en Ina van Faassen. Je weet niet wat je hoort. Het is spannend, grappig en eng, alleen door de manier waarop de tekst wordt gelezen. Elke zin heeft een ziel.
In een Polygoon-journaal uit 1954 verschilt het Nederlands dat wordt gesproken zo van het hedendaagse dat het een andere cultuur lijkt. Niet alleen de uitspraak van de woorden, maar ook de zinsbouw en de zwierigheid van de tekst komen we tegenwoordig niet meer tegen. Dit is de tijd dat nieuwslezeressen op de commerciële televisie zeggen: ‘Er zijn zes gewonden gevallen’, met de nadruk dus op het laatste woord.
De Polygoon-stem zegt: ‘De bosbouw is het belangrijkste middel van bestaan van deze eilanden. De machine heeft er nog geen grijper aan de grond gekregen. Hier bloeit nog het eeuwenoude slurfwerk.’ Wat een dictie.
Dit is de tijd dat mensen zeggen: ‘Ik besefte me...’ en: ‘Ik bedacht me dat...’ Beseffen en bedenken worden steevast wederkerend gemaakt. Typisch een verschijnsel van deze tijd, de tijd waarin het ego groter en groter wordt en de taalschat kleiner en kleiner.
Misschien was het inderdaad een andere cultuur, die van mooie sprookjesplaten, Kees Schilperoort en de jonge Willem (O.) Duys. Misschien is de cultuur van nu niet meer te vergelijken met de tijd dat de Nederlandse taal gekoesterd werd als was ze iets dierbaars. Want het is alsof in onze tijd niemand de taal nog dierbaar is.
Het is niet definitief zeker dat oudere mensen beter Nederlands spreken, maar wel bijna. Ze hebben in elk geval een grotere woordenschat dan de gemiddelde jongere van tegenwoordig. Oude mensen hebben meer termen of uitdrukkingen tot hun beschikking voor hetzelfde begrip. Dat betekent dat ze zich genuanceerder kunnen uitdrukken. Jongeren lijken de wereld in te delen in grofweg twee categorieën: vet en a-relaxt. Vet betekent goed en a-relaxt betekent niet-vet. Het hele spectrum tussen die twee uitersten bestrijken ze niet of nauwelijks in hun taalgebruik. Ouderen kunnen nuances aanbrengen – met ouderwetse woorden – en zodoende de werkelijkheid subtieler en veelzijdiger beschrijven, en ervaren.
Ondertussen horen we jongens en meisjes praten.
‘Hé mattie, fawaka?’
‘Ik ga loesoe, man. Naar Lidorro. Bling bling scoren. Kan ik lekker chillen met die chickies, weet je. Beetje choken, beetje skappa worden, gewoon lekker chillen. Niet dat gefokte.’
Verloedert het Nederlands? En is dat erg? Ja, dat is erg. In tegenstelling tot wat geruchten beweren is het Nederlands een mooie taal. Waar je veel mee kunt doen. Wat dat betreft kunnen we er niet omheen dat de jeugd van tegenwoordig niet alleen maar het Nederlands verziekt. Er gebeuren ook goede dingen.
Zo maakt de groep De Jeugd van Tegenwoordig liedjes in het Nederlands die barsten van het inventieve, sprankelende taalgebruik. Een van de rappers van De Jeugd is Willie Wartaal. Hij maakte het prachtige nummer Konijntje (‘Wiebelen! Wiebelen!’). Hij houdt van de Nederlandse taal, zoals meer rappers. Def P, bijvoorbeeld, de koning van de Nederlandse rap:
Mijn rijms zijn een cryptisch vers als Rice Crispies
Van wijze inscripties maak ik verse scripties
Eerst was het Egyptisch of apostolistisch,
maar nou apodictisch en apocalyptisch
Mijn rijms zijn een cryptisch vers als Rice Crispies
Van wijze inscripties maak ik verse scripties
Apodictisch en zeer adictisch
De interpretatie kent geen restricties
Zoals Willie Wartaal heeft gezegd: ‘Mensen zeggen toch al niets de hele dag, zeg dan gewoon in stijl niks.’
ROB VAN ERKELENS / De Groene Amsterdammer 14-03-2008
Omhoog
◊ Sofprijs 2007 voor Balkenende,
Von der Dunk krijgt de Lofprijs
11 februari 2008
De bezoekers van de webstek van de stichting Nederlands hebben minister-president Jan-Peter Balkenende gekozen tot winnaar van de Sofprijs der Nederlandse Taal 2007. Thomas von der Dunk krijgt de Lofprijs der Nederlandse Taal 2007.
Balkenende, die zowel kandidaat was voor de Lofprijs (in zijn functie als regeringsleider) als voor de Sofprijs, krijgt de prijs voor het feit dat hij het vorig jaar bij de opening van het academisch jaar bij de Universiteit Wageningen een toespraak in het Engels hield.

Thomas von der Dunk was kandidaat voor de Lofprijs, omdat hij het vorig jaar (23 november) in de Volkskrant een artikel schreef over de vlucht van de Nederlandse 'elite' naar het Engels. Engels op de universiteit zet de Nederlandse studenten op afstand en sluit de elite af van de rest van Nederlands, aldus Von der Dunk in dat artikel.
Naast Von der Dunk waren, onder meer ook, Jozef Deleu, oprichter van Ons Erfdeel, en het Meertens-instituut, voor de inrichting van een databank voor het Nederlandser lied, kandidaten voor de Lofprijs.
Premier Balkenende moest, onder meer, concurreren met het Dutch Teachers College, een naam die enkele hogeschoolbestuurders hadden bedacht voor een nieuwe Nederlandse leraaropleiding. Ook minister Plasterk was kandidaat vanwege zijn uitspraken de EU om te vormen tot eentalig (= Engels) bastion.
Bron: De Stichting Nederlands
De Stichting Nederlands over zichzelf:
"In Nederland voltrekt zich stilletjes een taalrevolutie: als voertaal wordt het Nederlands steeds vaker vervangen door het Engels, zowel op universiteiten, bij bedrijven en elders in de samenleving. Hierdoor kun je op steeds minder plekken met het Nederlands uit de voeten, en dat is verkeerd. Onze doelstelling is daarom de devaluatie van het Nederlands tegen te gaan. Ook proberen wij waar gewenst onvertaald Engels te vernederlandsen."
Zij voert met grote hardnekkigheid strijd tegen de overspoelende golf van verengelsing in Nederland - met humor maar ook met een zeker cynisme. Er is heel wat belangwekkend nieuws over het gebeuren te lezen op haar site.
Speciaal verwijzen we naar de Nieuwsbrief 19 van 8 oktober 2007 met een gedegen artikel van Wim Couwenberg, oud-hoogleraar staats- en bestuursrecht "Taalstrijd in Nederland?"
Lees het in Nieuwsbrief 19 van de Stichting Lezen
Omhoog
◊ Brusselaars bewuster van hun Nederlands
07/01/2008 14:00
Er zijn steeds minder Nederlandstaligen in Brussel, maar die willen steeds meer hun eigen taal spreken.
Het taalgebruik in Brussel is een delicaat vraagstuk, want er staan fundamentele rechten en culturele identiteitskwesties op het spel die de gemoederen kunnen verhitten. Rudi Janssens, verantwoordelijke voor het taalsociologische onderzoeksluik van het Brussels Informatie-, Documentatie- en Onderzoekscentrum (Brio), nam in opdracht van de VUB de temperatuur op in Brussel. Het aandeel eentalig Nederlandstalige gezinnen daalt er, maar de band met het Nederlands wordt steviger, zo blijkt.
Welke taalverschuivingen deden zich voor in Brussel tussen 2000 en 2006?
RUDI JANSSENS: Voor het Nederlands valt op dat steeds minder gezinnen zich als eentalig Nederlandstalig profileren. Brusselaars die van huis uit Nederlands spreken, doen dit meestal in combinatie met een andere taal. Maar tegelijk getuigen ze van een sterkere band met hun moedertaal: Nederlandstaligen willen hun taal meer gebruiken. Ze spreken veel meer Nederlands dan vroeger en kunnen ook in hun eigen taal terecht in openbare ruimtes zoals het ziekenhuis of het gemeentehuis.
Op straat blijft Frans dominant, net als op de schoolspeelplaatsen. Ook in het Nederlandstalige onderwijs gaat het gebruik van het Nederlands buiten de lesuren achteruit. Franstalige leerlingen spreken dan zelden of nooit Nederlands. Bij anderstalige jongeren is de trend wel om iets vaker dan vroeger in het Nederlands te communiceren.
Wat is de motivatie van Nederlandstalige Brusselaars om meerdere talen te spreken?
JANSSENS: Vlamingen die naar Brussel verhuizen, voelen zich vaak aangetrokken tot de culturele diversiteit die de hoofdstad uitstraalt. Die diversiteit willen ze doortrekken in hun taalgebruik. Tegelijk zijn ze zich bewust van hun moedertaal en blijven ze haar ook gebruiken. Meertaligheid doet zich overigens vaak voor in fases. Na een gemengd huwelijk kiezen beide partners één taal om met elkaar te spreken, maar wanneer er kinderen komen, wordt het gezin meertalig.
Hoe ziet de taaltoekomst van de hoofdstad eruit?
JANSSENS: Dat is moeilijk te voorspellen, maar waarschijnlijk treedt in migrantengezinnen nog meer dan vandaag een verschuiving op van de eigen taal naar het Frans als voertaal. Het Nederlands zien we op dezelfde manier evolueren als nu: minder eentaligheid, maar een groter bewustzijn van de eigen taalidentiteit. Verder zullen nog meer Brusselaars het Engels verkiezen boven het Nederlands als tweede taal.
Zie: Rudi Janssens, Taalgebruik in Brussel en de plaats van het Nederlands.
Enkele bevindingen in Brussels Studies nr. 13 van 7 januari 2008
Meer info op de website van Brio Brusselse thema's en Brussels Studies.
Eline Vanuytrecht
Meer artikels over
taal - Brussel - Nederlands
Bron: Knack.be - Nieuwsbrief 07-01-2008
Omhoog
◊Moeten we de opmars van het Engels stimuleren of tegengaan?
Het leverde bij De Buren op maandag 12 november 2007
een levendig debat op
'Nederlands is een handicap, maar wel een handicap die we moeten koesteren'
(Anne Provoost en Linde van den Bosch)
Over het Taaluniedebat 2007:
Het verslag
Een selectie van reacties en artikelen over de onderwerpen die tijdens het debat aan de orde kwamen: Programma - Knipsels - Terugblik - Deelnemers - Filmpjes
Taaluniedebat 2008
Omhoog
◊Overeind in Babel. Verslag Symposium over taal en talen - Egmontpaleis Brussel n.a.v. 50 jaar Ons Erfdeel 14 sept. 2007
Overeind in Babel. Talen in Europa: onder dat motto heeft het tijdschrift Ons Erfdeel op
14 september 2007 zijn vijftigste verjaardag gevierd met een groots opgezet symposium
in het Brusselse Egmontpaleis. Taal als vaderland, de spanning tussen standaardtaal
en dialect, moedertaal en schrijftaal; de vertaling als enige, echte taal van Europa,
de verhouding tussen taal en territorium, de rol en de plaats van taal in het onderwijs,
lingua franca als noodzaak en dreiging, taal als sociale hefboom: dat waren de onderwerpen
die die dag aan de orde kwamen.
Vlaams minister van Buitenlands Beleid Geert Bourgeois hield de openingstoespraak.
Hij pleitte beslist voor het behoud van alle officiële talen in de Europese Unie,
ook waar dat moeilijk is, bijvoorbeeld in het octrooibureau. Voor de verdediging van
het Nederlands zouden Vlaanderen en Nederland het best samen front moeten
maken. De minister hield een pleidooi voor goed Nederlands, tegen tussentalen, tegen
gemakzucht. Hij maakte zich zorgen over het uiteengroeien van het Nederlands in
Noord en Zuid. Aan onze universiteiten, ten slotte, dient het Nederlands de voertaal te
zijn. Vlamingen weten uit hun geschiedenis wat het betekent als dat niet zo is.
Er waren drie gespreksrondes. Lees meer
Omhoog
◊Gelukkig in mijn taal
Het is moeite waard om eens rond te kijken op een ouderavond in een middelbare school. Je ziet er heel wat bezorgde ouders die te weten willen komen hoe hun kinderen het daar doen en ook wel de leerkrachten komen ‘monsteren’.
Traditiegetrouw is er veel bezoek voor de wiskundeleerkrachten, net als voor die van fysica of economie en - vanuit de Belgische situatie - ook die van Frans. Vakken die extreem moeilijk worden geacht of/en belangrijk voor de toekomst. Wat die ouders willen weten, is of de betrokken leerkrachten competent zijn, hun kind op de juiste manier aanpakken en de lat voldoende hoog leggen of juist niet te hoog.
Minder ‘klanten’ ziet de leerkracht die geschiedenis geeft, godsdienstleer of moraal. Die zit op een ouderavond nogal eens voor zich uit te staren en eigenlijk is dat vreemd.
Is kennis van het verleden dan niet belangrijk voor de toekomst? Zijn het op school niet vooral de mensen die godsdienst- en zedenleer geven die onze kinderen confronteren met fundamentele waarden en die wegwijzers aanbieden voor het leven? Belangrijke dingen voor hun huidig en toekomstig geluk! Is het niet belangrijk om te weten hoe mijn kind het bij die mensen doet, of zij competent zijn en het op de juiste manier benaderen? Dat voor hen maar zelden iemand zakt, verklaart misschien de beperktere belangstelling.
Ook de leerkrachten Nederlands krijgen veelal minder bezoek. Pakken die de kinderen goed aan, zijn zij competent, stellen zij voldoende hoge eisen? Blijkbaar zijn er niet zo veel Vlaamse ouders die zich daar het hoofd over breken.
Dat kan vreemd lijken want is het Nederlands voor onze kinderen niet het eerste venster op de wereld? Is het niet het instrument waarmee andere kennis verworven moet worden en waarmee de meesten later in onze maatschappij zullen moeten functioneren zowel op zakelijk als op persoonlijk gebied?
Bij nader toezien is de bij velen beperkte belangstelling voor het moedertaalonderwijs niet zo vreemd. Ze heeft onder meer te maken met onze geschiedenis. De moedertaal speelde veelal niet mee aan de top, ze werd verwaarloosd en was dus ook verwaarloosbaar. Zulke dingen blijven lang doorwerken.
En ook het heden werkt niet altijd motiverend. Zo spreken veel van onze politici – toch mensen met een voorbeeldfunctie – onverzorgd, uit onmacht of omdat ze menen daarmee sympathiek te worden gevonden. Het is al zo vaak gezegd. En de media gaan evenmin vrij uit. Vooral de televisie, en niet alleen de commerciële, presenteert in veel programma’s een slordig taalgebruik, een mengeling van dialect, standaard- en tussentaal. Opmerkelijk in dit verband is dat dit beeld vaak niet overeenkomt met de taalwerkelijkheid buiten de mediacontext. In winkels, restaurants en kantoren krijg je vaak een veel positiever beeld. Dat is althans mijn ervaring, in alle Vlaamse provincies.
Maar terug naar het onderwijs en meer bepaald naar de leerkracht die Nederlands geeft. Zeer terecht heeft de minister van onderwijs – zelf iemand met een goed taalgebruik – er onlangs op aangedrongen dat alle leerkrachten hun taal verzorgen, maar de moedertaalleraar neemt uiteraard een sleutelpositie in. Velen zullen net als ik kunnen getuigen dat zij aan die vrouw of man bijzonder veel te danken hebben, dat die in hoge mate heeft bijgedragen aan hun taalbeheersing en de vorming van hun persoonlijkheid.
Die leerkracht wordt echter, zoals gezegd, nogal eens geconfronteerd met een gebrek aan interesse voor zijn vak, bij ouders en soms ook bij directies. Dat houdt ongetwijfeld verband wat in de eerste alinea’s van dit artikel is gesignaleerd maar misschien ook wel met het feit dat onze moedertaal te weinig wordt ervaren en gepresenteerd als iets om ook gelukkig mee te zijn, nu en later.
Dat heeft met verschillende factoren te maken. Een daarvan is in Vlaanderen de moeilijke relatie tussen de Nederlandse standaard- en de eigenlijke moedertaal. Mijn eigenlijke moedertaal is de taal die mijn moeder mij geleerd heeft, voor mij een dialect, voor anderen wellicht de een of andere lokale tussentaal. Mijn eigenlijke moedertaal verschilt nogal wat van de standaardtaal, zeker qua uitspraak, qua woordenschat en zinsbouw echter heel wat minder.
Een fundamentele fout nu die vaak werd en wordt gemaakt, is de standaard- en de eigenlijke moedertaal tegenover elkaar plaatsen en niet naast elkaar. Of nog erger: de ene – de eigenlijke, de meest eigene – als minderwaardig voorstellen en afwijzen in plaats van ze te bewonderen en te genieten van haar charme en rijkdom naast de charme en rijkdom van de standaardtaal.
Het dialect is iets van de eigen (kleine) groep, iets van mijn stad of dorp. In het onderwijs moet het dan ook niet worden ‘verstopt’ of ‘verstikt’, integendeel, er kan mee worden gespeeld en spelen maakt gelukkig. Het kan worden gepresenteerd als een compleet en rijk taalsysteem met zijn eigen charme en creativiteit. Tegelijkertijd moet gewezen worden op zijn beperkt bereik: ruimtelijk, sociaal en intellectueel. Kom ik buiten mijn streek, dan word ik er een ‘vreemde’ mee, iemand die er niet bij hoort. In sommige omstandigheden en milieus word ik er niet mee aanvaard. Ik sluit er ook anderen die het niet beheersen, mee uit. Het kan mij geen toegang verschaffen tot de wereld van de wetenschap en Cultuur met grote C.
De standaard- en de eigenlijke moedertaal naast elkaar plaatsen leidt onder meer tot de constatering dat ze heel dicht bij elkaar liggen en in de meeste gevallen hetzelfde zijn: een stoel heet overal stoel, een brug een brug. Die constatering kan ons verlossen van de zogenaamde negatieve reflex: het is vertrouwd en dus waarschijnlijk verkeerd …
Aandacht besteden aan de verschillen, kan ook heel prettig zijn. Wie kent beeldende uitdrukkingen in de standaardtaal, de dialecten, andere talen voor ‘beter iets hebben dan niets’? Ook allochtone leerlingen kunnen hierin op hetzelfde niveau meespelen door uitdrukkingen uit hun eigenlijke moedertaal te vertalen.Wie kent andere woorden voor ‘vlinder’, wie voor ‘schommel’, wat zeggen de mensen bij ons soms ook in plaats van ‘groter dan’ of ‘groter als’, voor ‘ik vraag mij af of hij zal komen’? Het spel maakt meteen ook duidelijk hoe nodig de standaardtaal is: woorden en constructies die door iedereen in het hele taalgebied begrepen worden én aanvaard.
Dat ‘taalspel’ kunnen spelen, vergt echter veel van de leerkrachten. Die moeten openstaan voor variatie in taal, vertrouwd zijn met verschillende registers en zelf de standaardtaal zo goed beheersen dat zij ze vloeiend en met charme kunnen hanteren. Dat veronderstelt uiteraard dat zij ze ook veel gebruiken in hun leven buiten de school want anders klinkt ze veelal stroef en onnatuurlijk. In elke ontwikkelde maatschappij tref je trouwens groepen aan bij wie de standaard- en de eigenlijke moedertaal in hoge mate samenvallen en het is een beetje normaal dat nogal wat leerkrachten daartoe behoren.
Goed moedertaalonderwijs kan ook bijdragen aan het geluk doordat het (de woorden voor) ervaringen aanreikt die de emotionele horizon verruimen. Zo wijst Alain de Botton er in ‘De architectuur van het Geluk’ op dat het vaak ‘boeken, gedichten en schilderijen (zijn) die ons het zelfvertrouwen geven om gevoelens serieus te nemen die we anders nooit zouden hebben onderkend’.
Waardevolle gedichten, romans en essays kunnen de smaak verfijnen, de gevoeligheid en het vermogen om te nuanceren versterken, wat van onschatbare waarde is voor later. Het is daarbij belangrijk alternatieven aan te bieden voor het vele banale en vulgaire waarmee de jonge mensen zo veel worden geconfronteerd.
Met zorg gekozen teksten die eerlijk worden besproken niet door maar met een leerkracht die niets opdringt maar zelf bezield is, verrijken de persoonlijkheid en het taalvermogen. Dat geldt uiteraard ook voor literatuur in andere talen maar het zal maar zelden zo diep kunnen doorwerken als in de eigen taal.
En nog iets: als jonge mensen gedichten uit het hoofd moeten leren, wat blijkbaar amper nog gebeurt, wordt niet alleen hun geheugen geoefend maar ook een schat meegegeven waaraan zij ook en vooral later vreugde kunnen beleven. Dat kunnen veel volwassenen getuigen die het geluk hebben gehad dat te moeten doen.
Goed moedertaalonderwijs kan bijdragen aan het geluk. Het vergt echter een grote inzet en competentie van de leerkracht. Die moet taalvaardig en belezen zijn, een tekst tot leven kunnen brengen en dat alles naast de andere kwaliteiten waarover onderwijsmensen moeten beschikken.
Gelukkig zijn in mijn taal. Misschien op de volgende ouderavond toch ook eens naar de leerkracht Nederlands gaan, voor het geluk van de leerling.
Stijn Verrept
Stijn Verrept is emeritus gewoon hoogleraar taalvaardigheid/zakelijke communicatie
Faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen
Universiteit Antwerpen.
Hij is ook lid van de Werkgroep Taal en Onderwijs van het VVA.
Omhoog
◊Natuurlijk geen Engels als voertaal aan onze universiteiten
“Art. 91 § 1. De onderwijstaal in hogescholen en universiteiten is het Nederlands. …”
(Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs – B.S., 14 juni 2003)
In De Standaard van dinsdag 18 september 2007 verschenen een paar artikels rond de positie van het Engels aan de Nederlandse en de Vlaamse universiteiten. Ze verwijzen naar een rapport daarover vanwege dr. Albert Oosterhof, een Nederlandse onderzoeker verbonden aan de Universiteit Gent in opdracht van de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland. Dr. Oosterhof maakt een vergelijking van de situatie nu met die van 2001 en constateert in welke mate het gebruik van het Engels als instructietaal is toegenomen of niet aan de universiteiten zowel in het Noorden als in het Zuiden van het Nederlandse taalgebied.
Van dat rapport wordt nu in de Nieuwsbrief nr. 3 van juli-augustus – september 2007 een substantiële neerslag gepubliceerd die zich objectief beperkt tot de geconstateerde feiten. Enige opiniëring in de Nieuwsbrief blijft volkomen achterwege. In de krantenartikels in De Standaard daartegenover waarschuwt de Algemene secretaris van de Commissie Wilfried Vandaele voor verdergaande verengelsing aan de Nederlandse universiteiten waar de initiële mastersopleidingen volop aan het verengelsen zijn en hij roept op tot grote waakzaamheid voor de Vlaamse universiteiten, die zich aan de beregeling van taalartikel 91 van het structuurdecreet van 4 april 2003 moeten houden. De Nederlandse universiteiten zijn ook gebonden aan een wettelijke regeling, maar leggen die gewoon naast zich neer.
Het VVA heeft zich samen met het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen in de aanloop tot dat structuurdecreet ten volle ingezet voor een regeling waarbij de positie van het Nederlands als onderwijstaal aan onze universiteiten zoveel mogelijk gevrijwaard kon worden.
Argumenten voor verengelsing van het hoger onderwijs zijn de internationalisering en de bereidwilligheid tegenover buitenlandse studenten die aan onze universiteiten in het Engels tegemoet gekomen zouden moeten worden. Als argument wordt ook de vanzelfsprekendheid van verengelsing van het hoger onderwijs bijna onuitgesproken maar daadwerkelijk ingeroepen.
Het VVA blijft op zijn standpunt dat een verdergaande verengelsing ten allen prijze voorkomen moet kunnen worden. Het gaat toch niet op dat steeds meer Engels als instructietaal wordt geïnstitutionaliseerd in verscheidene opleidingen in het hoger onderwijs, waarbij Nederlandstalige docenten aan Nederlandstalige studenten hun onderwijsinhouden in het Engels overmaken. Uit onderzoek blijkt dat dan de kwaliteit van dat hoger onderwijs met vele percentages naar beneden gaat. Sociaal gezien is Engelstalig onderwijs ook een drempel voor vele kandidaten, die zich in extreme mate zouden moeten inspannen om die leerinhouden te kunnen assimileren. Studieactiviteiten die schriftelijk worden volbracht geven de nodige ruimte om zich op vreemdtalig studiemateriaal te concentreren en dat lijkt een meer haalbare aangelegenheid te zijn. Studieactiviteiten die mondeling worden ondernomen als hoorcolleges en seminariesessies vergen een zo hoge graad van abstractie bij de wetenschapsoverdracht of het probleemoplossend denken, dat het niveau bij gebruik van het Engels verre van hoogstaand kan zijn. Het denken berust immers op het effectief hanteren van taal en dat kan slechts op optimale wijze als dat in de eigen taal gebeurt, waarmee men van kindsbeen af vergroeid is en die toelaat hoge toppen van abstractie nodig voor probleemoplossend redeneren te bereiken. Daartegenin werken is een aantasting van de identiteit mogelijk van de onderwijsverstrekkers tot op zekere hoogte, maar zeker van de studerenden die vanuit een vervreemdingssituatie van de eigen taal verplicht worden hoge performaties te bereiken via een denkvermogen in een in wezen vreemde taal.
Het VVA was hogelijk tevreden met het vast uitgesproken voornemen van de vorige onderwijsminister Frank Vandenbroucke om aan de bestaande wettelijke regeling niets te veranderen in tegenstelling tot de aandrang en de aspiraties tot verengelsing van de verantwoordelijke onderwijsinstanties van het Vlaamse hoger onderwijs.
Nu blijkt al dat de aandrang van rectoren en decanen van faculteiten om het wetenschappelijk personeel van de universiteiten en hogescholen in het Engels te doen publiceren al te excessief is en herhaaldelijk blijkt dan ook de inferieure kwaliteit van publicaties die toch de pretentie hebben wetenschappelijk te zijn.
Wij blijven vanuit het VVA de stelling poneren dat elke Vlaamse intellectueel en zeker de Vlaamse academicus in staat moet zijn om naast een volwaardige beheersing van zijn eigen taal, het Nederlands, zich ook volwaardig uit te drukken in het Engels, het Frans en het Duits in vele communicatieve situaties. Vreemde talen leren is omwille van de eigen weerbaarheid een absolute noodzaak. Maar elke Vlaamse kandidaat-intellectueel of aspirant-academicus moet steeds de gelegenheid krijgen zichzelf te blijven in het Vlaamse hoger onderwijs en zijn studies te doen in zijn eigen taal, het Nederlands.
Ghislain Duchâteau
VVA-verantwoordelijke Werkgroep Taal en Onderwijs
'Het Engels als voertaal aan onze universiteiten?' CVN-Nieuwsbrief nr. 3 2007: http://www.cvn.be/algemeen/nieuwsbrieven/2007/NR_03_cor.pdf
Taaluniedebat 2007
De opmars van het Engels in ons taalgebied: uitdaging, fait accompli, of blessing?
Dit is het thema van de debatdag die de Taalunie op maandag 12 november 2007 in het huis DeBuren in Brussel organiseerde.
Over het Taaluniedebat 2007:
Het verslag
Een selectie van reacties en artikelen over de onderwerpen die tijdens het debat aan de orde kwamen: Programma - Knipsels - Terugblik - Deelnemers - Filmpjes
Taaluniedebat 2008
Omhoog
Taal is meer dan taal
Rede en dankwoord van prof. dr. Jozef T. Devreese bij de uitreiking van de André Demedtsprijs 2005 - Stadhuis Kortrijk - zondag 27 november 2005
Omhoog
◊De spelling 2005 - NDN-bestuur - visie van het Netwerk Didactiek Nederlands over de huidige spelling van het Nederlands
Omhoog |